OIT Kennisbank · Orthodontie
Infrazygomatic crest TADs zijn orthodontische miniscrews die in de infrazygomatische botrichel van de bovenkaak worden geplaatst om extra-alveolaire skeletale verankering te verkrijgen. Ze worden vooral toegepast bij maxillaire distalisatie, retractie van tandsegmenten en geselecteerde verticale correcties. De ligging buiten de gebruikelijke interradiculaire verankeringszones biedt biomechanische voordelen, maar maakt plaatsing niet automatisch veilig. De nabijheid van molaarwortels, de sinus maxillaris, variabele botdikte en beweeglijke mucosa vereist zorgvuldige planning. Klinisch succes hangt zowel af van de stabiliteit van de miniscrew als van het gekozen krachtensysteem, de beschikbare verplaatsingsruimte en de individuele anatomie.
De infrazygomatic crest (IZC), of infrazygomatische botrichel, bevindt zich ter hoogte van de overgang tussen het processus zygomaticus van de maxilla en de buccale alveolaire processus. Het gebied maakt deel uit van de zygomaticomaxillaire steunstructuur en ligt doorgaans craniaal en buccaal van de maxillaire molaren.
Deze anatomische regio is interessant voor orthodontische verankering doordat op bepaalde locaties relatief veel corticaal bot beschikbaar is. Corticaal bot vormt een belangrijke bijdrage aan de primaire mechanische stabiliteit van een miniscrew.
De IZC moet echter niet worden beschouwd als één homogene botstructuur. De beschikbare botdikte varieert in mesiodistale, verticale en buccopalatinale richting. Ook de relatie tussen het botoppervlak, de molaarwortels en de sinus maxillaris verandert met de plaatsingslocatie.
CBCT-onderzoek laat zien dat de infrazygomatische botmorfologie samenhangt met onder andere het verticale craniofaciale groeipatroon. Lima en collega's onderzochten hiervoor 86 CBCT-opnamen, verdeeld over verschillende gezichtstypen. De resultaten onderstrepen dat gemiddelde anatomische afmetingen niet zonder meer naar individuele patiënten kunnen worden vertaald [2].
Voor de klinische planning zijn vooral de volgende kenmerken relevant:
In de orthodontische literatuur worden soms de aanduidingen IZC6 en IZC7 gebruikt voor gebieden nabij respectievelijk de eerste en tweede maxillaire molaar. Deze termen beschrijven klinische plaatsingsregio's, geen scherp afgebakende anatomische compartimenten.
Een posterior gelegen insertielocatie is daarom niet vanzelf veiliger dan een anterieure locatie. De plaatselijke botmorfologie en de geplande trajectrichting blijven bepalend.
De primaire stabiliteit van een IZC-miniscrew ontstaat door mechanische interactie tussen de schroefdraad en het omgevende bot. Zowel corticale betrokkenheid als het contact met trabeculair bot speelt daarbij een rol.
Biomechanisch onderzoek naar insertiehoek, blootliggende schroeflengte en botcontact ondersteunt het belang van deze factoren [9]. Dergelijke studies kunnen echter niet rechtstreeks voorspellen hoe lang een miniscrew bij een individuele patiënt klinisch stabiel blijft.
Een relatief dikke cortex is dus gunstig, maar vormt geen garantie voor succesvolle verankering.
De belangrijkste indicatie is de behoefte aan skeletale verankering bij orthodontische tandverplaatsingen waarbij conventionele dentale verankering onvoldoende controle biedt of ongewenste reciproque bewegingen veroorzaakt.
Een veelvoorkomende toepassing is de distale verplaatsing van de maxillaire dentitie bij geselecteerde klasse II-malocclusies.
IZC-TADs kunnen hierbij worden ingezet voor:
Bij distalisatie van de volledige tandboog kan de extra-alveolaire ligging voordelig zijn. In tegenstelling tot interradiculaire miniscrews bevindt de verankering zich doorgaans buiten de directe tandverplaatsingsroute.
Dit vermindert de kans dat de TAD vanwege naderende wortels tijdens de behandeling moet worden verplaatst. Het sluit wortelcontact bij de oorspronkelijke plaatsing echter niet uit.
Een prospectief onderzoek van Rosa en collega's bij 25 adolescenten liet zien dat met IZC-miniscrews een klasse II-molaarcorrectie kon worden bereikt. De resultaten ondersteunen de klinische toepasbaarheid, maar vanwege het ontbreken van een controlegroep kan daaruit geen superioriteit tegenover andere distalisatiemethoden worden afgeleid [4].
Bij extractiebehandelingen kunnen IZC-TADs ondersteuning bieden aan de retractie van het maxillaire front. De miniscrew fungeert dan als onafhankelijke verankeringseenheid of wordt gebruikt om een dentale verankeringseenheid te stabiliseren.
Het voordeel is vooral relevant wanneer ankerverlies van posterior gelegen elementen de behandeluitkomst zou beïnvloeden.
De keuze tussen een IZC-TAD en een palatale of interradiculaire TAD hangt onder meer af van de vereiste krachtvector, de toegankelijkheid en het gekozen apparatuursysteem.
IZC-TADs kunnen daarnaast worden toegepast bij geselecteerde intrusiemechanica, bijvoorbeeld wanneer molaarintrusie of controle van het occlusale vlak noodzakelijk is.
De aanwezigheid van een miniscrew garandeert echter geen zuivere intrusie. De locatie van het aangrijpingspunt en de krachtsrichting bepalen of tegelijkertijd ongewenste tipping, rotatie of verandering van de transversale molaarpositie ontstaat.
De gedetailleerde biomechanica van molaarintrusie valt buiten de hoofdscope van dit artikel.
Terughoudendheid is aangewezen bij onvoldoende lokaal bot, ongunstige wortel- of sinusrelaties, moeilijk controleerbare weke-delenproblematiek of wanneer de benodigde tandverplaatsing buiten de anatomisch beschikbare grenzen valt.
Ook bij uitgesproken skeletale discrepanties moet kritisch worden beoordeeld of dentoalveolaire camouflage werkelijk de juiste behandelstrategie is. Extra verankering maakt een anatomisch of biologisch ongeschikte tandverplaatsing niet alsnog verantwoord.
De anatomische voordelen van IZC-verankering gaan gepaard met specifieke risico's. Het belangrijkste verschil met veel interradiculaire plaatsingslocaties is de nauwe relatie met de laterale en inferieure begrenzing van de sinus maxillaris.
Afhankelijk van de insertierichting kan een IZC-miniscrew de sinuswand benaderen of perforeren.
Een beperkte sinuspenetratie leidt niet noodzakelijk tot klinische sinusitis of verlies van de miniscrew. Dit mag echter niet worden geïnterpreteerd als bewijs dat sinuspenetratie onschadelijk is.
De mogelijke gevolgen hangen af van de omvang en ligging van de penetratie, de toestand van het sinusslijmvlies, de aanwezigheid van sinuspathologie en eventuele secundaire ontsteking.
Het klinische uitgangspunt is daarom om het traject zodanig te plannen dat onnodige sinuspenetratie wordt voorkomen.
Bij een onduidelijke sinusrelatie kan driedimensionale beoordeling van de anatomie wezenlijk zijn voor de risicoselectie [1].
De ligging van de miniscrew buiten de gebruikelijke interradiculaire verankeringszone betekent niet dat wortelcontact onmogelijk is.
Een ongunstig gekozen insertiepunt of traject kan contact veroorzaken met de wortels van de eerste of tweede bovenmolaar of met het omliggende parodontale ligament.
Mogelijke consequenties zijn pijn, schade aan cement of worteloppervlak, verminderde primaire stabiliteit en lokale ontsteking.
Wortelnabijheid moet daarom niet uitsluitend bij het eerste contactpunt met het bot worden beoordeeld, maar langs het volledige geplande schroeftraject.
Ook de volgende structuren verdienen aandacht:
De conventionele IZC-plaatsingszone ligt doorgaans niet direct bij de nervus infraorbitalis. De relatieve afstand verandert echter bij afwijkende anatomie of een atypisch insertietraject.
Een geschikte IZC-locatie wordt niet alleen geselecteerd op de aanwezigheid van voldoende bot. Het uitgangspunt is de combinatie van anatomische veiligheid, bruikbare verankeringspositie en een uitvoerbare orthodontische mechanica.
Een systematische beoordeling omvat de medische anamnese, mondhygiëne, parodontale status, mucosaconditie en de geplande tandverplaatsing.
Extra aandacht is nodig bij actieve orale infecties, bestaande sinusklachten, verminderde wondgenezing, relevante medicatie en aandoeningen die botmetabolisme of immuunfunctie beïnvloeden.
Bij patiënten met een voorgeschiedenis van sinuspathologie of sinusoperaties kan overleg met een kaakchirurg of KNO-arts aangewezen zijn.
Een CBCT kan de beschikbare botdikte, wortelpositie, sinusrelatie en geplande insertierichting driedimensionaal inzichtelijk maken.
De systematische review van Stasiak en Adamska behandelt specifiek de vraag naar de noodzaak van CBCT vóór IZC-plaatsing. De onderzochte anatomische variatie onderstreept de waarde van individuele beoordeling [1].
Daaruit volgt echter niet dat voor iedere IZC-TAD routinematig een CBCT moet worden gemaakt.
De indicatie voor driedimensionale beeldvorming moet worden gerechtvaardigd door een concrete diagnostische vraag. Wanneer conventionele beeldvorming onvoldoende informatie verschaft en de CBCT-uitkomst de plaatsingsbeslissing daadwerkelijk kan veranderen, is aanvullend onderzoek beter te verdedigen.
Gebruik daarbij een zo beperkt mogelijk onderzoeksvolume en een voor de diagnostische vraag passend stralingsprotocol.
| Beslisfactor | Klinische vraag | Consequentie |
|---|---|---|
| Corticale botbeschikbaarheid | Is voldoende bot aanwezig langs het geplande traject? | Bepaalt de haalbaarheid van primaire stabiliteit |
| Wortelrelatie | Blijft het traject buiten kritieke wortelzones? | Zo nodig andere locatie of angulatie kiezen |
| Sinusrelatie | Is de sinuswand voldoende te vermijden? | Risico herbeoordelen of alternatieve verankering overwegen |
| Weke delen | Is de miniscrewkop bereikbaar zonder blijvende weefseldruk? | Transmucosale configuratie en locatie aanpassen |
| Biomechanica | Is de gewenste krachtvector vanaf deze positie realiseerbaar? | Hookhoogte, apparatuursysteem of verankering aanpassen |
| Patiëntfactoren | Is reiniging en controle gedurende de behandeling haalbaar? | Stabiliteitsrisico en onderhoud bespreken |
| Alternatieven | Is een minder risicovolle plaatsingslocatie beschikbaar? | Verankeringskeuze opnieuw afwegen |
Bij IZC-TADs worden vaak andere miniscrewconfiguraties gebruikt dan bij interradiculaire verankering. De grotere afstand tussen mucosale entree en doelbot, de corticale architectuur en de gewenste stabiliteit spelen daarbij een rol.
Het is niet verantwoord om één diameter, lengte of insertiehoek als algemene standaard te adviseren.
Een langere miniscrew biedt niet automatisch betere verankering: de bruikbare botlengte, schroefgeometrie, mucosadikte en het risico op sinus- of wortelpenetratie blijven bepalend.
Evenmin geldt dat een steilere insertie altijd veiliger is. Een verandering van angulatie beïnvloedt zowel de hoeveelheid botcontact als de relatie tot anatomische risicostructuren.
Bij vrijehandplaatsing bepaalt de behandelaar het traject op basis van diagnostische informatie en klinische oriëntatiepunten.
Bij geleide plaatsing wordt een vooraf geplande schroefrichting met een hulpmiddel overgebracht naar de mond.
Yuan en collega's onderzochten IZC-miniscrews met en zonder chirurgische geleiding in een historische-controlestudie [7]. Dergelijk onderzoek is relevant voor de klinische toepasbaarheid, maar door het niet-gerandomiseerde ontwerp blijft onzeker in welke mate verschillen door de geleiding zelf worden veroorzaakt.
Een chirurgische guide kan een ongeschikt behandelplan niet corrigeren. Ook bij digitaal geplande plaatsing blijven nauwkeurige registratie, correcte passing en controle van de uiteindelijke schroefpositie noodzakelijk.
De plaatsing behoort te worden uitgevoerd door een behandelaar met voldoende ervaring in extra-alveolaire miniscrews, de relevante anatomie en het management van mogelijke complicaties.
Het biomechanische voordeel van een infrazygomatic crest TAD ligt vooral in de mogelijkheid om een krachtensysteem onafhankelijk van de dentale verankering te organiseren.
De miniscrew vormt een relatief stabiel aangrijpingspunt buiten de maxillaire tandboog. Daardoor kan een distale kracht op een tandsegment of de volledige dentitie worden uitgeoefend zonder dat een ander tandsegment noodzakelijk als primaire tegenverankering fungeert.
Bij directe verankering loopt de orthodontische kracht rechtstreeks van de miniscrew naar een hook, power arm of ander aangrijpingspunt op het te verplaatsen tandsegment.
Bij indirecte verankering wordt de TAD gebruikt om een dentale verankeringseenheid te stabiliseren. Vanuit die gestabiliseerde eenheid kan vervolgens met conventionele mechanica worden gewerkt.
Directe verankering geeft een relatief overzichtelijk verband tussen de miniscrewpositie en de externe krachtvector. Indirecte verankering kan de krachtverdeling binnen het apparatuursysteem veranderen en andere ontwerpkeuzes mogelijk maken.
Geen van beide principes voorkomt automatisch ongewenste momenten of tandverplaatsingen [8].
Voor voorspelbare distalisatie is de relatie tussen de krachtlijn en het centrum van weerstand essentieel.
Het centrum van weerstand is het theoretische punt waar een kracht, bij een vereenvoudigd biomechanisch model, voornamelijk translatie veroorzaakt zonder een extra rotatiemoment.
Bij een volledige tandboog is dit geen exact en onveranderlijk anatomisch punt. De ligging hangt onder meer samen met het betrokken tandsegment, de parodontale ondersteuning en de koppeling tussen de tanden.
Wanneer de distalisatiekracht niet door of nabij het relevante centrum van weerstand werkt, ontstaat een moment dat de bewegingsrichting beïnvloedt.
Hierdoor kunnen gelijktijdig optreden:
Een meer craniaal gelegen aangrijpingspunt op de miniscrew en een anders gepositioneerde anterior hook veranderen de krachtvector. De hoogte van de power arm is daarom een biomechanische ontwerpvariabele en niet uitsluitend een technische voorkeur.
Een voldoende gecontroleerd en passend ontworpen boogsysteem is nodig om de toegepaste kracht over de betrokken tanden te verdelen.
De stijfheid van de boog, bracket-slotinteractie, verbindingen tussen tandsegmenten en positionering van hooks beïnvloeden of distalisatie vooral gepaard gaat met translatie, tipping of rotatie.
Bij alignerbehandeling komt daar de vervormbaarheid van het alignermateriaal en de overdracht van krachten via attachments en aanvullende elastische elementen bij.
De aanwezigheid van een IZC-TAD maakt de kwaliteit van het tandgeleidende apparatuursysteem dus niet minder belangrijk.
De maximaal haalbare distalisatie wordt niet uitsluitend bepaald door de stabiliteit van de verankering.
Andere beperkende factoren zijn de beschikbare posterior gelegen alveolaire botruimte, aanwezigheid en positie van tweede en derde molaren, wortelanatomie, parodontale grenzen en de vereiste sagittale correctie.
Wanneer de wortels de grenzen van de alveolaire behuizing naderen, kan verdere distalisatie biologisch ongunstig worden, ook als de miniscrew nog volledig stabiel is.
De systematische review van Owayda en collega's beoordeelde de dentale, skeletale en weke-delenveranderingen na totale maxillaire distalisatie bij klasse II/1-patiënten [5]. De beschikbare resultaten ondersteunen het gebruik van deze behandelstrategie in geselecteerde populaties, maar rechtvaardigen geen universele voorspelling van distalisatiehoeveelheid of behandelduur.
Een gerandomiseerde klinische studie van Ghozy en collega's met 32 klasse II-patiënten vergeleek een met IZC-miniscrews verankerd Carriere Motion-systeem met een Essix-verankerd systeem [6]. Deze studie levert direct vergelijkend bewijs voor specifieke verankeringsconfiguraties, maar is niet zonder meer toepasbaar op alle IZC-gedragen distalisatiemechanica.
Bij unilaterale distalisatie verandert niet alleen de sagittale belasting, maar ook de rotatiebalans van de tandboog.
Het krachtensysteem kan ongewenste veranderingen veroorzaken in de maxillaire dentale mediaanlijn, molaarrotatie of occlusale relatie van de contralaterale zijde.
Daarom moet vóór activatie worden bepaald welk segment daadwerkelijk moet bewegen en hoe reciproque rotatie of transversale verplaatsing wordt tegengegaan.
Een belangrijk praktisch verschil tussen IZC-TADs en veel palatale TADs is de ligging in of nabij beweeglijke buccale mucosa.
Deze mucosa is gevoeliger voor voortdurende mechanische irritatie door een miniscrewkop, uitstekende onderdelen of elastische verbindingen. Daarnaast kan een dikke weke-delenlaag de verhouding tussen het externe deel van de miniscrew en de effectieve botverankering beïnvloeden.
Bij de selectie van het miniscrewontwerp is niet alleen de intraossale schroeflengte relevant, maar ook de overgang van bot naar mucosa en het vrijliggende deel van de schroef.
Een te diep gelegen kop kan reiniging en het aanbrengen van elastische elementen bemoeilijken. Een ongunstig uitstekende kop kan juist irritatie veroorzaken door contact met de wang.
De optimale positie vraagt daarom om een balans tussen toegankelijkheid, voldoende botcontact en beperking van druk op de weke delen.
Weke-delenmanagement begint al bij de plaatsingsplanning.
Na insertie zijn gerichte reinigingsinstructies noodzakelijk, afgestemd op de bereikbaarheid van de miniscrew. Bij controle moet niet alleen worden gekeken naar de stabiliteit, maar ook naar roodheid, bloeding, plaqueaccumulatie, pijn bij belasting en weefselovergroei.
Ontsteking rond de miniscrew mag niet worden beschouwd als een uitsluitend cosmetisch of hygiënisch probleem. Persisterende ontsteking kan de klinische bruikbaarheid van de verankering verminderen en vraagt om beoordeling van zowel de lokale weefsels als het mechanische ontwerp.
Hoewel veel IZC-TADs gedurende hun noodzakelijke gebruiksperiode functioneel blijven, is mislukking van de verankering een reëel risico.
De systematische review en meta-analyse van Katyal en collega's onderzocht de overleving en stabiliteitsfactoren van infrazygomatische miniscrews [3]. De gegevens ondersteunen de klinische toepasbaarheid, maar verschillen in patiëntselectie, implantaatontwerp, observatieduur en succesdefinities beperken het gebruik van één algemeen succespercentage.
Een miniscrew kan kort na plaatsing onvoldoende primaire stabiliteit blijken te hebben of later mobiliteit ontwikkelen.
Mogelijke oorzaken zijn onvoldoende corticaal contact, een ongunstig traject, lokale ontsteking, overbelasting of veranderingen in de bot-schroefinterface.
Bij aantoonbare mobiliteit moet de mechanische belasting worden onderbroken en de verdere bruikbaarheid van de TAD worden beoordeeld. Een mobiele miniscrew routinematig blijven belasten is niet verantwoord.
Herplaatsing kan worden overwogen wanneer de oorzaak van het falen is onderzocht en een anatomisch geschikte nieuwe locatie beschikbaar is.
Mucositis rond een miniscrew kan zich presenteren met roodheid, pijn, zwelling of bloeding bij reiniging.
De behandelkeuze is afhankelijk van de ernst en oorzaak. Naast lokale reiniging kan aanpassing van de mechanische verbinding of verwijdering van de TAD noodzakelijk zijn.
Een antibioticum is niet standaard geïndiceerd bij ongecompliceerde lokale irritatie of een beperkte ontstekingsreactie. Systemische medicatie vereist een afzonderlijke klinische indicatie.
Bij vermoeden van wortelcontact is herbeoordeling van het traject noodzakelijk. Aanhoudende pijn, mobiliteit of radiologische aanwijzingen voor schade kunnen reden zijn om de miniscrew te verwijderen en aanvullende diagnostiek uit te voeren.
Bij sinusgerelateerde klachten, zoals persisterende unilaterale aangezichtspijn, purulente neusafscheiding of verdenking op een sinusinfectie, is gericht onderzoek aangewezen. Afhankelijk van de bevindingen kan overleg met een kaakchirurg of KNO-arts nodig zijn.
Een schroeffractuur vraagt om beoordeling van de positie van het achtergebleven fragment en de risico's van verwijdering. Blind instrumenteren in de nabijheid van wortels of de sinus is onwenselijk.
Bij snel toenemende zwelling, koorts, ernstige pijn, slikproblemen of tekenen van verspreidende infectie is urgente medische beoordeling noodzakelijk.
De scopingreview van Del Rosso en collega's bespreekt verschillende complicaties van orthodontische miniscrews en hun klinische management [10].
Follow-up moet aansluiten bij het moment van plaatsing, het begin van de belasting en de verdere orthodontische behandelstappen.
Tijdens de controles zijn vier onderwerpen essentieel:
Radiologische follow-up is geïndiceerd wanneer een concrete klinische vraag dat noodzakelijk maakt, niet uitsluitend omdat een IZC-TAD aanwezig is.
Na voltooiing van de mechanica moet de miniscrew worden verwijderd volgens de toepasselijke klinische werkwijze. Bij problemen tijdens verwijdering is verdere instrumentatie zonder herbeoordeling niet aangewezen.
IZC-TADs zijn niet voor iedere patiënt de beste vorm van skeletale verankering. De keuze moet worden gemaakt op basis van het benodigde krachtensysteem, de anatomische mogelijkheden en de relatieve invasiviteit.
| Verankeringsvorm | Voornaamste voordeel | Belangrijkste beperking |
|---|---|---|
| Infrazygomatic crest TAD | Extra-alveolaire verankering die uitgebreide maxillaire distalisatie kan ondersteunen | Nabijheid van sinus en molaarwortels; beweeglijke mucosa |
| Palatale TAD | Veelal gunstige toegankelijkheid en mogelijkheden voor gekoppelde distalisatieapparatuur | Vereist een passend palataal krachtensysteem; andere vector en apparatuuropbouw |
| Interradiculaire buccale TAD | Relatief directe toegang tot specifieke tandsegmenten | Wortelruimte kan beperkend zijn; interferentie bij uitgebreide tandverplaatsing |
| Skeletale miniplaat | Robuuste verankering en flexibele extra-alveolaire aangrijpingspunten | Invasievere plaatsing en verwijdering |
| Conventionele dentale verankering | Geen chirurgische miniscrewplaatsing noodzakelijk | Kans op ankerverlies of ongewenste reciproque tandverplaatsing |
Palatale TADs kunnen aantrekkelijk zijn wanneer een palatale distalisatievoorziening een eenvoudiger of beter controleerbaar krachtensysteem oplevert.
Ook wanneer de buccale weke delen problematisch zijn of de IZC-anatomie ongunstig is, kan palatale verankering een geschikt alternatief vormen.
De palatale botmorfologie moet afzonderlijk worden beoordeeld. Een veilige palatale zone kan niet worden afgeleid uit de geschiktheid van de IZC.
Een miniplaat kan relevant zijn bij complexe multidirectionele mechanica, wanneer miniscrewstabiliteit onvoldoende voorspelbaar is of wanneer een anders gepositioneerd extra-alveolair aangrijpingspunt nodig is.
De hogere invasiviteit en het chirurgische karakter vereisen wel een afzonderlijke afweging.
Mandibulaire buccal shelf-miniscrews behoren eveneens tot de extra-alveolaire verankeringssystemen, maar zijn anatomisch en biomechanisch vooral relevant voor de onderkaak. Ze vormen daarom geen rechtstreeks substituut voor maxillaire IZC-verankering.
De literatuur over infrazygomatic crest TADs kan worden verdeeld in drie hoofdgroepen: anatomische beeldvormingsstudies, onderzoek naar miniscrewstabiliteit en klinisch onderzoek naar orthodontische behandeluitkomsten.
Deze onderzoeksgroepen moeten afzonderlijk worden beoordeeld. Een studie die voldoende corticaal bot aantoont, bewijst niet dat een miniscrew klinisch langdurig succesvol blijft. En een hoge miniscrew-overleving bewijst niet automatisch dat de beoogde tandverplaatsing optimaal wordt bereikt.
| Onderwerp | Algemene conclusie | Zekerheid van het bewijs |
|---|---|---|
| Anatomische variatie | CBCT-studies tonen relevante verschillen in botdikte, wortelrelaties en sinusmorfologie | Redelijk onderbouwd voor anatomische beschrijving; beperkt voor individuele uitkomstvoorspelling |
| Klinische stabiliteit | IZC-miniscrews zijn bruikbare verankeringselementen, maar falen komt voor | Laag tot matig, afhankelijk van uitkomst; heterogene observationele gegevens |
| Maxillaire distalisatie | Klinisch haalbaar bij geselecteerde patiënten | Laag voor brede vergelijkende effectiviteit en langetermijnvoorspelbaarheid |
| Optimale insertieparameters | Botcontact, insertierichting en anatomie beïnvloeden de plaatsingscondities | Beperkte zekerheid voor één klinisch superieur protocol |
| Chirurgische geleiding | Technisch bruikbaar; mogelijke voordelen worden onderzocht | Laag voor algemeen aantoonbare verbetering van klinisch succes |
| Complicatiepreventie | Zorgvuldige anatomische planning en weke-delencontrole zijn klinisch logisch en belangrijk | Vooral indirect bewijs, observationele gegevens en expertopinie |
De anatomische systematische review van Stasiak en Adamska [1] en de tomografische studie van Lima en collega's [2] bieden bruikbare informatie voor locatiekeuze, maar beantwoorden niet zelfstandig de vraag welke behandeling op lange termijn het beste functioneert.
De meta-analyse van Katyal en collega's [3] heeft specifiek betrekking op miniscrewstabiliteit. Variatie tussen de onderliggende studies betekent dat een gepoolde uitkomst niet zonder meer als patiëntspecifieke succeskans mag worden geïnterpreteerd.
Voor distalisatie zijn onder meer een prospectieve studie [4], een systematische review [5] en een gerandomiseerde vergelijking van twee verankeringssystemen [6] beschikbaar. Deze leveren klinisch relevantere gegevens over tandverplaatsing, maar de patiëntenpopulaties, apparatuursystemen en behandelopzetten verschillen.
Ook blijft het onderscheid belangrijk tussen een bereikte sagittale correctie en werkelijk gecontroleerde driedimensionale tandverplaatsing. Molaarrelatie, wortelverplaatsing, incisiefstand en veranderingen in het occlusale vlak moeten afzonderlijk worden geïnterpreteerd.
De wetenschappelijke conclusie is dat IZC-TADs een onderbouwde klinische verankeringsoptie vormen, maar dat er onvoldoende bewijs is om ze universeel superieur te noemen aan andere vormen van skeletale verankering. Evenmin bestaat er één bewezen optimale combinatie van miniscrewafmetingen, insertiehoek, belasting en orthodontische mechanica.
Infrazygomatic crest TADs vergroten de mogelijkheden voor maxillaire tandverplaatsing, vooral wanneer uitgebreide distalisatie of een hoge mate van verankeringscontrole nodig is.
De belangrijkste klinische meerwaarde ligt niet uitsluitend in de beschikbaarheid van een extra verankeringspunt, maar in de mogelijkheid om het volledige krachtensysteem anders te ontwerpen.
Een succesvolle toepassing vraagt daarom om drie samenhangende beslissingen: een geschikte anatomische insertielocatie, een biologisch haalbaar tandverplaatsingsdoel en een gecontroleerde biomechanische configuratie.
De keuze voor IZC-verankering hoort het resultaat te zijn van individuele diagnostiek en behandelplanning, niet van een routinematige voorkeur voor extra-alveolaire miniscrews.
Het belangrijkste verschil is de anatomische relatie tot de tandwortels. Een interradiculaire miniscrew wordt geplaatst in de botruimte tussen aangrenzende wortels. Een IZC-TAD wordt in een extra-alveolaire botregio boven en buccaal van de maxillaire molaren geplaatst.
Daardoor kan een IZC-TAD uitgebreide distalisatie ondersteunen zonder dat de verankering noodzakelijk in de verplaatsingsroute van de wortels ligt. Daartegenover staan specifieke aandachtspunten: de nabijheid van de sinus maxillaris, een variabele corticale botdikte en plaatsing in beweeglijke mucosa. De IZC is dus geen automatisch veiligere locatie, maar een anatomisch en biomechanisch andere optie.
Nee. Een CBCT is niet zonder meer verplicht bij iedere infrazygomatische miniscrewplaatsing. De indicatie moet afhangen van de concrete diagnostische onzekerheid en van de vraag of driedimensionale informatie de plaatsingsstrategie of behandelkeuze kan veranderen.
Wanneer conventionele beeldvorming onvoldoende duidelijkheid biedt over de wortelpositie, beschikbare botdikte of relatie tot de sinus, kan CBCT belangrijke aanvullende informatie verschaffen. Daarbij gelden de gebruikelijke principes van stralingsrechtvaardiging en dosisoptimalisatie.
Een reeds beschikbare, diagnostisch geschikte CBCT kan worden beoordeeld zonder automatisch een nieuwe opname te vervaardigen. De uiteindelijke beslissing blijft afhankelijk van de individuele anatomie en het geplande insertietraject.
Maxillaire distalisatie met IZC-TADs is klinisch haalbaar, maar de voorspelbaarheid verschilt per patiënt en mechanisch ontwerp. Prospectieve studies en klinische vergelijkingen tonen dat sagittale correctie kan worden bereikt, vooral bij geselecteerde klasse II-patiënten.
De hoeveelheid werkelijke translatie, eventuele molaar-tipping, incisieveranderingen en verticale neveneffecten zijn echter afhankelijk van het krachtensysteem en de anatomische grenzen.
Het is daarom niet verantwoord om op basis van het gekozen TAD-type alleen een vaste distalisatiehoeveelheid of behandelduur te voorspellen. Stabiliteit van de miniscrew en kwaliteit van de orthodontische correctie moeten als afzonderlijke uitkomsten worden beoordeeld.
Sinuspenetratie betekent dat de miniscrew de benige sinusbegrenzing passeert en gedeeltelijk in de sinusruimte kan uitsteken. Dit gaat niet altijd gepaard met klachten of klinisch aantoonbare sinuspathologie.
De bevinding mag echter niet worden genegeerd. De behandelaar moet rekening houden met de penetratieomvang, sinusmucosaconditie, klachten en stabiliteit van de miniscrew.
Bij persisterende pijn, aanwijzingen voor sinusontsteking of andere relevante symptomen is aanvullend onderzoek geïndiceerd. Afhankelijk van de situatie kan verwijdering of verwijzing nodig zijn. Preventie door passende anatomische planning blijft de voorkeursstrategie.
Palatale verankering verdient overweging wanneer daarmee een eenvoudiger, veiliger of biomechanisch beter controleerbaar krachtensysteem kan worden gerealiseerd.
Dit geldt bijvoorbeeld wanneer de infrazygomatische botmorfologie ongunstig is, de sinusrelatie plaatsing bemoeilijkt of irritatie van de buccale mucosa een belangrijk risico vormt.
Palatale TADs kunnen in combinatie met speciaal ontworpen distalisatievoorzieningen eveneens uitgebreide tandverplaatsing ondersteunen. De krachtverdeling verschilt dan van directe buccale IZC-tractie.
De keuze moet uiteindelijk gebaseerd zijn op de gewenste tandbeweging, de anatomische toegankelijkheid, de noodzakelijke apparatuuropbouw en de individuele risicobeoordeling, niet uitsluitend op de verwachte miniscrew-overleving.
De onderstaande publicaties zijn geïdentificeerd via een gerichte literatuurzoekactie naar infrazygomatic crest miniscrews, extra-alveolar orthodontic anchorage, maxillary arch distalization, bone thickness, CBCT, miniscrew success, surgical guides en orthodontic complications. De nadruk ligt op systematische reviews, klinische studies en anatomisch relevant onderzoek.
Stasiak, M., & Adamska, P. (2023). Should Cone-Beam Computed Tomography Be Performed Prior to Orthodontic Miniscrew Placement in the Infrazygomatic Crest Area?—A Systematic Review. Biomedicines, 11(9), 2389. Uitgeverspublicatie
Lima, A., Jr., Domingos, R. G., Ribeiro, A. N. C., et al. (2022). Safe sites for orthodontic miniscrew insertion in the infrazygomatic crest area in different facial types: A tomographic study. American Journal of Orthodontics and Dentofacial Orthopedics. Uitgeverspublicatie
Katyal, S., Bhatia, N. K., Sardana, R., Singh, S., et al. (2025). Success rate and factors affecting stability of infrazygomatic miniscrew implants: a systematic review and meta-analysis. European Journal of Orthodontics, 47(1), cjae074. DOI: 10.1093/ejo/cjae074
Rosa, W. G. N., de Almeida-Pedrin, R. R., et al. (2023). Total arch maxillary distalization using infrazygomatic crest miniscrews in the treatment of Class II malocclusion: a prospective study. The Angle Orthodontist, 93(1), 41 e.v. Uitgeverspublicatie
Owayda, A., Al-Sabbagh, R., Farah, H., et al. (2024). The effectiveness of the total-maxillary-arch-distalization approach in treating class II division 1 malocclusion: A systematic review. Clinical Oral Investigations. DOI: 10.1007/s00784-024-05728-w
Ghozy, E. A., Albelasy, N. F., Shamaa, M. S., & El-Bialy, A. A. (2024). Cephalometric and digital model analysis of dentoskeletal effects of infrazygomatic miniscrew vs. Essix-anchored Carriere Motion appliance for distalization of maxillary buccal segment: a randomized clinical trial. BMC Oral Health. DOI: 10.1186/s12903-024-03925-3
Yuan, L., Zhao, R., Liu, J., Tang, R., Bai, S., & Liu, X. (2025). The success rate of infrazygomatic mini-implants placed with and without surgical guides: a historical control study. BMC Oral Health. DOI: 10.1186/s12903-025-05472-x
de Almeida, M. R. (2024). Current status of the biomechanics of extra-alveolar miniscrews. Journal of the World Federation of Orthodontists. Uitgeverspublicatie
Du, B., Lin, Y., Ji, M., Yang, Q., Jiang, J., Wang, F., et al. (2024). Effects of exposure length, cortical and trabecular bone contact areas on primary stability of infrazygomatic crest mini-screws at different insertion angles. BMC Oral Health. DOI: 10.1186/s12903-024-04626-7
Del Rosso, C., Poli, P. P., Ghizzoni, M., & Caprioglio, A. (2025). Clinical management of orthodontic miniscrew complications: a scoping review. Dentistry Journal, 13(12), 582. Uitgeverspublicatie
TAD · Anchorage · Skeletale anchorage · Infrazygomatic crest
Productspecialist spreken?
Onze specialisten staan klaar om u een passend advies te geven. Bel of Whatsapp op 033-2043010 en kom direct in contact met ons.
Altijd uw favoriete producten binnen handbereik
Sneller bestellen: Altijd direct toegang tot uw meest gebruikte producten.
Minder zoeken: Bewaar uw favorieten overzichtelijk op één plek.
Eenvoudig herbestellen: Bestel met één klik uw terugkerende benodigdheden.