OIT KENNISBANK | SKELETALE VERANKERING
Buccal shelf miniscrews zijn orthodontische verankeringsschroeven die extra-alveolair worden geplaatst in het buccale botgebied van de onderkaak, doorgaans ter hoogte van de mandibulaire molaren. Ze bieden skeletale verankering voor onder andere distalisatie van de volledige onderboog, asymmetrische tandverplaatsingen en complexe orthodontische compensatiebehandelingen. Het voordeel is dat de schroef buiten de gebruikelijke interradiculaire verplaatsingsruimte kan worden geplaatst. De klinische toepasbaarheid wordt echter begrensd door de beschikbare botstructuur, molaarwortels, het mandibulaire kanaal, de retromolaire ruimte en de weke delen. Zorgvuldige casusselectie en individuele plaatsingsplanning blijven essentieel.
De mandibulaire buccal shelf (MBS) is een botgebied aan de buccale zijde van het posterieure corpus mandibulae. Het ligt lateraal van het alveolaire bot rond de ondermolaren en bevindt zich in de omgeving van de linea obliqua externa, de uitwendige schuine botlijn van de mandibula.
Het gebied wordt gebruikt voor extra-alveolaire orthodontische verankering omdat op bepaalde locaties voldoende corticaal en onderliggend bot beschikbaar kan zijn om een miniscrew mechanisch te stabiliseren.
De anatomische kenmerken verschillen duidelijk van conventionele interradiculaire plaatsingslocaties.
Bij interradiculaire plaatsing wordt de beschikbare ruimte grotendeels bepaald door de afstand tussen aangrenzende tandwortels. Buccal shelf miniscrews worden daarentegen buccaal van het gebruikelijke wortelgebied ingebracht, waarbij de schroeftrajectorie afhankelijk is van de driedimensionale botconfiguratie.
Twee anatomische parameters zijn bijzonder relevant:
Corticale botdikte betreft de dikte van de compacte buitenste botlaag. Deze draagt belangrijk bij aan de primaire mechanische stabiliteit van een miniscrew.
Buccale botbreedte beschrijft de beschikbare botmassa in buccolinguale richting. Deze bepaalt mede of een geplande schroef voldoende intraossale ondersteuning kan krijgen zonder ongewenste benadering van wortels of andere anatomische structuren.
CBCT-onderzoek laat zien dat beide parameters variëren afhankelijk van de mesiodistale locatie, verticale meethoogte, aangezichtsmorfologie en individuele anatomie.[1–3]
Een relatief dikke cortex is daarom niet automatisch gelijk aan een veilige plaatsingslocatie. Ook de totale schroeftrajectorie moet binnen een anatomisch verantwoord botvolume passen.
In de literatuur worden vooral de regio tussen de eerste en tweede ondermolaar en gebieden ter hoogte van of distaal van de tweede ondermolaar onderzocht.
Liu en collega's beschreven op basis van CBCT-metingen de regio tussen de eerste en tweede mandibulaire molaar als een geschikte voorkeursregio binnen hun onderzochte anatomische model.[1]
Een latere CBCT-studie van Feliciano en collega's onderzocht specifiek de relatie met het mandibulaire kanaal. In de onderzochte populatie was, bij afwezigheid van geïmpacteerde derde molaren, de regio nabij het distale oppervlak van de tweede molaar gunstig vanuit het perspectief van de kanaalafstand.[4]
Deze uitkomsten zijn niet noodzakelijk tegenstrijdig. De studies gebruikten verschillende anatomische referentiepunten en veiligheidscriteria. Een locatie die gunstig is voor botbreedte hoeft niet dezelfde locatie te zijn die de grootste afstand tot het mandibulaire kanaal biedt.
Klinische consequentie: er bestaat geen universele plaatsingspositie die uitsluitend op basis van het molaargebied kan worden vastgesteld.
Een belangrijke indicatie is distalisatie van de mandibulaire dentitie bij patiënten met een milde tot matige dentoalveolaire klasse III-component of een zorgvuldig geselecteerde grenssituatie tussen orthodontische camouflage en orthognathische chirurgie.
Bij deze patiënten kan distale verplaatsing van de onderboog bijdragen aan:
Een buccal shelf miniscrew corrigeert daarbij primair de positie van de dentitie. Het is geen behandeling die de basale mandibulaire skeletpositie rechtstreeks verandert.
Bij uitgesproken skeletale discrepanties, ongunstige gelaatsverhoudingen of onvoldoende dentoalveolaire compensatieruimte blijft orthognathische chirurgie een afzonderlijke behandeloptie die expliciet moet worden besproken.
Buccal shelf-verankering kan ook worden ingezet voor:
Asymmetrische distalisatie. Bij eenzijdige sagittale afwijkingen of middellijnproblematiek kan een asymmetrisch krachtensysteem worden opgebouwd.
Retractie van mandibulaire gebitselementen. Extra-alveolaire verankering kan ondersteuning geven wanneer conventionele tandgedragen verankering onvoldoende is.
Verticale controle. Afhankelijk van de krachtvector en het aangrijpingspunt kunnen intrusieve of extrusieve effecten ontstaan. Deze effecten moeten worden gepland en niet als automatisch gunstig worden beschouwd.
Gecombineerde biomechanica. Buccal shelf miniscrews kunnen deel uitmaken van complexere krachtensystemen met vaste apparatuur, segmentmechanica of andere verankeringscomponenten.
De indicatie wordt steeds bepaald door het gewenste driedimensionale bewegingspatroon, niet uitsluitend door de aanwezigheid van een anatomisch plaatsingsgebied.
Hoewel buccal shelf miniscrews extra-alveolair worden geplaatst, is wortelcontact niet uitgesloten.
De angulatie, insteeklocatie en schroeflengte bepalen gezamenlijk de relatie met de molaarwortels. Vooral wanneer het botvolume beperkt is of de schroeftrajectorie te veel naar het alveolaire gebied gericht is, kan wortelbenadering ontstaan.
Ook moet rekening worden gehouden met de tandverplaatsing tijdens de behandeling. Een aanvankelijk veilige schroef-wortelrelatie is niet vanzelfsprekend onveranderd wanneer molaren naar distaal worden verplaatst.
Het canalis mandibulae bevat de nervus alveolaris inferior en begeleidende bloedvaten.
Bij posterieure of diepe plaatsing moet de ruimtelijke relatie tussen de geplande schroef en het kanaal worden beoordeeld. Een onvoldoende veiligheidsafstand kan risico geven op neurovasculair letsel.
De anatomische studie van Feliciano en collega's onderstreept dat deze afstand plaatsgebonden is.[4]
Aanhoudende of nieuwe gevoelsveranderingen van de onderlip of kin na plaatsing vereisen snelle diagnostische beoordeling en zo nodig verwijzing naar een MKA-chirurg.
Bij distalisatie van de volledige onderboog vormt de beschikbare ruimte distaal van de tweede molaren een fundamentele begrenzing.
De relevante structuren zijn onder andere:
Fan en collega's lieten met CBCT zien dat de mandibulaire retromolaire ruimte verschilt tussen volwassenen met uiteenlopende sagittale skeletpatronen.[5]
De aanwezigheid van verstandskiezen kan aanvullende ruimtebeperkingen veroorzaken. Extractie van derde molaren creëert echter niet automatisch voldoende veilige distalisatieruimte. De botbegrenzingen achter de tweede molaar blijven bepalend.
Bij uitgebreide distalisatie kunnen wortels de grenzen van het alveolaire bot naderen.
Dit kan gepaard gaan met verhoogde risico's op botdehiscenties, verlies van parodontale ondersteuning of ongunstige wortelverplaatsing.
Ook moet de bestaande wortelresorptie, parodontale conditie en incisiefinclinatie worden beoordeeld.
Deze factoren bepalen mede of de geplande orthodontische compensatie biologisch verantwoord is.
Buccal shelf miniscrews zijn doorgaans ontworpen om ondersteuning te verkrijgen in het beschikbare extra-alveolaire botvolume.
In de klinische literatuur zijn onder meer roestvaststalen schroeven met een diameter van 2 mm en een lengte van 12 mm beschreven.[7] Dit zijn onderzoekskenmerken, geen universeel voorgeschreven afmetingen.
De benodigde diameter en lengte hangen af van:
Een grotere schroef kan de mechanische stabiliteit verbeteren, maar kan tevens meer weke-delenbelasting of andere nadelen veroorzaken.
Sarul en collega's onderzochten in een gerandomiseerde prospectieve klinische studie de invloed van schroefafmetingen op stabiliteit, ontsteking en pijn.[6]
De grotere onderzochte miniscrews presteerden gunstiger wat betreft stabiliteit, maar veroorzaakten vaker ontstekingsreacties en langduriger pijn.
Deze bevinding ondersteunt het belang van schroefafmetingen, zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat grotere schroeven voor iedere patiënt de beste keuze zijn.
De resultaten zijn bovendien afhankelijk van de onderzochte ontwerpen, patiëntenpopulatie en klinische omstandigheden.
De plaatsingsplanning begint met klinisch onderzoek en beoordeling van beschikbare diagnostische opnamen.
Wanneer wortelposities, botvolume of het verloop van het mandibulaire kanaal onvoldoende betrouwbaar met conventionele beeldvorming kunnen worden beoordeeld, kan een CBCT klinisch gerechtvaardigd zijn.
Een CBCT moet niet routinematig voor iedere miniscrew worden aangevraagd. De verwachte diagnostische meerwaarde moet opwegen tegen de stralingsbelasting. Wanneer driedimensionale beeldvorming noodzakelijk is, worden het opnamevolume en het blootstellingsprotocol afgestemd op de diagnostische vraag.
Bij driedimensionale planning worden de botbegrenzingen, schroeftrajectorie, wortelafstand en relatie tot het mandibulaire kanaal gezamenlijk beoordeeld.
Digitaal ontworpen plaatsingsgeleiders kunnen in geselecteerde situaties nuttig zijn. Een kleine gerandomiseerde studie van Jiang en collega's onderzocht hiervoor een gepersonaliseerde 3D-geprinte plaatsingsgeleider in het gebied van de linea obliqua externa.[12] Dit ondersteunt de ontwikkeling van geleide plaatsing, maar bewijst nog niet dat iedere buccal shelf miniscrew met een boormal moet worden geplaatst.
Bij directe verankering wordt de orthodontische kracht vanuit de miniscrew rechtstreeks op een gebitselement of een tandboogcomponent overgebracht.
Bij indirecte verankering stabiliseert de miniscrew een dentale verankeringseenheid, terwijl de actieve orthodontische kracht via andere onderdelen van de apparatuur wordt overgebracht.
De keuze beïnvloedt het krachtensysteem, het aantal betrokken gebitselementen en de mogelijkheid om ongewenste neveneffecten te beheersen.
De plaatsing en eventuele initiële belasting moeten worden afgestemd op primaire stabiliteit, het gebruikte schroefsysteem en de toepasselijke professionele werkwijze.
Bij distalisatie met buccal shelf miniscrews wordt een distaal gerichte kracht vanuit de extra-alveolaire verankering op de mandibulaire tandboog overgebracht.
De exacte beweging wordt bepaald door de ligging van de krachtlijn ten opzichte van het weerstandscentrum van de betrokken dentale eenheid.
Wanneer de krachtlijn niet door het relevante weerstandscentrum loopt, ontstaat een moment dat bijvoorbeeld distale tipping of verandering van de inclinatie kan veroorzaken.
Daarom is het onvoldoende om uitsluitend een distale kracht op de onderboog aan te brengen.
De orthodontist moet ook rekening houden met:
Sagittale controle. Distalisatie moet worden onderscheiden van ongewenste kanteling. Bij molaren kan de kroon sterker distaal bewegen dan de wortel.
Verticale controle. De hoogte van schroefkop, aanhaakpunt en krachtlijn kan intrusieve of extrusieve componenten veroorzaken en de occlusievlakstand beïnvloeden.
Transversale controle. Een buccaal aangebrachte kracht kan rotatie- of torque-effecten introduceren die door de apparatuur moeten worden opgevangen.
Verankeringsstabiliteit. Ook bij skeletale verankering kunnen schroefmobiliteit, vervorming van verbindingscomponenten en onbedoelde tandverplaatsingen het behandelresultaat beïnvloeden.
Een stijve en goed gecontroleerde orthodontische configuratie is daarom belangrijk voor voorspelbare driedimensionale beweging.
Er bestaat geen universeel veilig aantal millimeters voor mandibulaire totale-boogdistalisatie.
De haalbare verplaatsing wordt onder andere bepaald door de retromolaire botruimte, wortelanatomie, leeftijd, molaarpositie, verticale skeletconfiguratie en parodontale gezondheid.
Een systematische review uit 2024 includeerde zeven klinische studies over en-masse-distalisatie van de mandibulaire dentitie met skeletale verankering.[9]
De geïncludeerde onderzoeken rapporteerden distale molaarverplaatsing, vaak met een component van distale tipping. Er werden ook veranderingen in de positie van onderlip en gebitselementen beschreven.
Miniplates lieten in de geïncludeerde studies gemiddeld grotere distalisatie zien dan miniscrews. Door verschillen in patiënten, apparatuur, onderzoeksopzet en bias is dit echter geen bewijs dat miniplates in iedere klinische situatie superieur zijn.
Distalisatie kan de dentale relatie verbeteren zonder de onderliggende skeletale discrepantie volledig te corrigeren.
Daarbij kan uitgebreide compensatie gepaard gaan met sterke verandering van incisiefinclinatie en lipondersteuning.
Vooral bij volwassen patiënten met een grensindicatie voor chirurgie moeten het gewenste profiel, de bestaande incisiefpositie en de beschikbare biologische bewegingsruimte samen worden beoordeeld.
Het enkele feit dat extra-alveolaire verankering technisch mogelijk is, vormt geen voldoende argument om van orthognathische chirurgie af te zien.
De buccal shelf bevindt zich in een gebied waar de schroefkop en de omgevende mucosa aan mechanische belasting door wangbewegingen kunnen worden blootgesteld.
Mogelijke complicaties zijn:
De systematische review van Lo Giudice en collega's beschrijft complicaties van orthodontische miniscrews in verschillende anatomische regio's.[11] Deze algemene bevindingen mogen niet zonder meer worden vertaald naar specifieke incidentiecijfers voor de mandibulaire buccal shelf.
De eerdergenoemde gerandomiseerde studie van Sarul en collega's bevestigt dat de keuze van het schroefsysteem relevant kan zijn voor zowel stabiliteit als weke-delenreacties.[6]
Een plaatsing in beweeglijke mucosa kan het weke-delenbeheer bemoeilijken.
Toch betekent dit niet dat plaatsing in aangehechte gingiva altijd noodzakelijk is voor voldoende stabiliteit.
Chang en collega's onderzochten 1.680 opeenvolgend geplaatste extra-alveolaire mandibulaire buccal shelf miniscrews. De auteurs rapporteerden ongeveer 93% primaire stabiliteit en vonden geen statistisch significant verschil in vroege failure tussen schroeven in beweeglijke mucosa en aangehechte gingiva.[7]
Deze bevinding heeft betrekking op de onderzochte schroeven, populatie en vroege observatieperiode. Zij sluit verschillen in mucosaal comfort of latere complicaties niet uit.
Bij lokale irritatie moeten de schroefkoppositie, slijmvliesbelasting, plaqueaccumulatie en mechanische oorzaken worden gecontroleerd.
Bij mobiliteit wordt de orthodontische belasting gestaakt en beoordeeld of de schroef verwijderd of vervangen moet worden.
Progressieve zwelling, pusvorming, toenemende pijn, koorts of trismus vereisen tijdige klinische beoordeling en zo nodig urgente verwijzing. Nieuwe sensibiliteitsstoornissen vereisen snelle beoordeling vanwege mogelijk neurovasculair letsel.
Antibiotica zijn niet standaard geïndiceerd bij iedere lokale irritatie. De beslissing hangt af van het klinische infectiebeeld en eventuele systemische verschijnselen.
Monitoring van buccal shelf miniscrews omvat meer dan uitsluitend controleren of de schroef nog vastzit.
Bij de controles wordt aandacht besteed aan:
Mobiliteit is een belangrijk waarschuwingssignaal. Een instabiele miniscrew mag niet zonder nadere beoordeling als betrouwbare orthodontische verankering blijven functioneren.
De orthodontist beoordeelt de beweging in sagittale, verticale en transversale richting.
Daarbij zijn vooral distale molaarverplaatsing, tipping, incisiefinclinatie, middellijnverandering, torque en occlusievlakverandering relevant.
Ook moeten de positie van de molaarwortels en eventuele nadering van anatomische begrenzingen opnieuw worden overwogen.
Aanvullende beeldvorming wordt uitgevoerd wanneer de klinische vraag dit rechtvaardigt; routinematige herhaalde CBCT-opnamen zijn niet vanzelfsprekend aangewezen.
Naast occlusale veranderingen verdienen parodontale weefsels, wortelresorptierisico, pijnklachten en mondhygiëne aandacht.
Een gunstige kroonverplaatsing sluit een ongunstige wortelpositie of parodontale belasting niet uit.
Het behandeldoel is daarom niet maximale distalisatie, maar een gecontroleerde beweging binnen de biologische grenzen van de individuele patiënt.
De keuze voor extra-alveolaire verankering moet worden afgewogen tegen andere mogelijkheden.
| Verankeringsmethode | Mogelijke voordelen | Belangrijkste aandachtspunten |
|---|---|---|
| Buccal shelf miniscrews | Extra-alveolaire verankering; bruikbaar bij uitgebreide mandibulaire tandboogmechanica | Anatomische variatie, mucosale irritatie, schroefmobiliteit en retromolaire ruimte |
| Interradiculaire miniscrews | Relatief beperkte ingreep; geschikt voor lokale verankering | Wortelafstand en mogelijke interferentie met tandverplaatsing |
| Ramale of retromolaire schroeven | Alternatieve posterior gelegen verankering | Anatomische beperkingen, neurovasculaire risico's en plaatsingscomplexiteit |
| Ramale miniplates | Kunnen uitgebreide orthodontische bewegingen ondersteunen | Invasievere plaatsing en verwijdering; chirurgische belasting |
| Extractietherapie met conventionele of skeletale verankering | Kan ruimte creëren zonder uitgebreide totale-boogdistalisatie | Effect op profiel, verankeringsbehoefte en individuele behandelplanning |
| Orthognathische chirurgie | Directe correctie van een relevante skeletale discrepantie | Chirurgische risico's, hersteltijd en multidisciplinaire indicatiestelling |
De vergelijking laat zien dat buccal shelf miniscrews niet automatisch de meest geschikte methode zijn wanneer veel distalisatieruimte nodig is.
Bij onvoldoende botvolume, ongunstige retromolaire anatomie of uitgesproken skeletale afwijkingen kan een andere aanpak klinisch beter verdedigbaar zijn.
Vóór keuze voor buccal shelf-verankering moeten minimaal de volgende vragen worden beantwoord:
Het beschikbare bewijs ondersteunt buccal shelf miniscrews als een klinisch bruikbare vorm van extra-alveolaire verankering. De zekerheid verschilt echter aanzienlijk per onderzoeksvraag.
Meerdere CBCT-studies tonen aan dat de mandibulaire buccal shelf op geselecteerde locaties voldoende botvolume kan bieden voor miniscrewplaatsing.[1–4]
Deze bevinding is redelijk consistent voor het bestaan van anatomisch bruikbare gebieden.
De onderzochte populaties, meetmethoden, plaatsingsrichtingen en anatomische referentiepunten verschillen echter. Daardoor kan geen enkele locatie als universeel optimaal worden beschouwd.
Bewijszekerheid: ondersteunend voor anatomische haalbaarheid in onderzochte populaties; beperkt voor het voorspellen van individuele klinische veiligheid.
De systematische review en meta-analyse van Bhatia en collega's uit 2026 omvatte negen onderzoeken met in totaal 2.366 buccal shelf miniscrews.[8]
De gepoolde succesratio bedroeg ongeveer 93%, met een 95%-betrouwbaarheidsinterval van ongeveer 81–100%.
De voorspellingsinterval was bijzonder breed. Dit wijst erop dat de uitkomst in een andere klinische setting aanzienlijk kan afwijken.
Bovendien constateerden de auteurs aanzienlijke heterogeniteit en risico op bias. De algehele bewijszekerheid werd als laag beoordeeld.
Het percentage van 93% mag dus niet worden gebruikt als gegarandeerde individuele overlevingskans of als universele praktijkbenchmark.
De systematische review van Setvaji en Sundari uit 2024 beschreef dat skeletaal verankerde mandibulaire totale-boogdistalisatie klinisch haalbaar is.[9]
De zeven geïncludeerde studies vertoonden echter belangrijke methodologische beperkingen. Slechts één studie had volgens de review een laag risico op bias; de overige onderzoeken hadden een matig, ernstig of kritiek risico.
Hierdoor is de zekerheid over de relatieve effectiviteit van specifieke TAD-configuraties beperkt.
De evidence ondersteunt klinische toepasbaarheid, maar niet de claim dat buccal shelf miniscrews voorspelbaar orthognathische chirurgie kunnen vervangen.
De gerandomiseerde studie van Sarul en collega's biedt direct klinisch bewijs dat schroefafmetingen de balans tussen stabiliteit en ongewenste weke-delenreacties kunnen beïnvloeden.[6]
Het onderzoek biedt echter geen definitieve basis voor één optimale schroefdiameter of -lengte voor alle patiënten.
De beschikbare literatuur ondersteunt drie onderscheidbare conclusies:
Ook ontbreken voldoende hoogwaardige langetermijnvergelijkingen om voor alle patiëntenpopulaties betrouwbare uitspraken te doen over behandelstabiliteit, parodontale gevolgen en patiëntgerapporteerde uitkomsten.
Buccal shelf miniscrews vergroten de mogelijkheden voor gecontroleerde orthodontische verankering in de onderkaak. Vooral bij geselecteerde klasse III-compensaties en uitgebreide distalisatiemechanica kunnen zij een waardevolle behandeloptie vormen.
Hun meerwaarde ligt niet uitsluitend in schroefstabiliteit, maar in de mogelijkheid een biomechanisch doel te realiseren binnen de anatomische en biologische grenzen van de patiënt.
Voor een verantwoorde toepassing zijn daarom individuele anatomische planning, doordachte krachtensystemen, controle van de bewegingsruimte en actieve monitoring van zowel het parodontium als de weke delen onmisbaar.
Er bestaat geen universeel veiligste plaatsingslocatie. In de literatuur worden vooral de regio tussen de eerste en tweede mandibulaire molaar en gebieden ter hoogte van of distaal van de tweede molaar onderzocht.
De optimale locatie hangt af van corticale botdikte, buccale botbreedte, wortelpositie, schroeftrajectorie en afstand tot het mandibulaire kanaal.
CBCT-studies laten zien dat de meest gunstige regio afhankelijk is van de onderzochte anatomische parameter en patiëntenpopulatie.[1,4] Daarom moet de definitieve plaatsing worden gebaseerd op individuele anatomie en het geplande krachtensysteem, niet uitsluitend op algemene anatomische vuistregels.
Nee. Een CBCT is niet automatisch noodzakelijk voor iedere extra-alveolaire miniscrewplaatsing.
Driedimensionale beeldvorming kan wel gerechtvaardigd zijn wanneer het verloop van het mandibulaire kanaal, de relatie met molaarwortels of het beschikbare botvolume onvoldoende betrouwbaar met klinisch onderzoek en bestaande tweedimensionale opnamen kan worden beoordeeld.
De indicatie moet individueel worden vastgesteld, rekening houdend met diagnostische meerwaarde en stralingsbelasting.
Wanneer een CBCT nodig is, moeten opnamevolume en protocol aansluiten bij de klinische vraag. Een CBCT vervangt bovendien geen beoordeling van de weke delen of de geplande biomechanica.
Nee. Deze afmetingen zijn beschreven in klinisch onderzoek, maar kunnen niet als universeel aanbevolen configuratie worden beschouwd.
De gewenste diameter en lengte hangen samen met corticale botdikte, botvolume, schroefangulatie, mucosadikte, het ontwerp van de schroef en de verwachte orthodontische belasting.
Een gerandomiseerde studie liet zien dat grotere miniscrews gunstiger kunnen zijn voor stabiliteit, maar ook vaker pijn en mucosale ontsteking kunnen veroorzaken.[6]
De schroefkeuze vereist daarom een afweging tussen primaire stabiliteit, anatomische veiligheid en weke-delenbelasting, met inachtneming van de productspecifieke instructies.
De haalbare distalisatie verschilt aanzienlijk per patiënt en kan niet betrouwbaar worden samengevat in één algemeen toepasbaar aantal millimeters.
Van doorslaggevend belang zijn de beschikbare retromolaire ruimte, positie van de tweede en derde molaren, worteloriëntatie en grenzen van het alveolaire bot.
Daarnaast bepaalt de biomechanica of vooral kroonverplaatsing met tipping of meer gecontroleerde wortelverplaatsing optreedt.
Studies bevestigen dat onderboogdistalisatie mogelijk is, maar leveren geen uniforme veilige bewegingslimiet op.[9] Bij een uitgesproken skeletale klasse III blijft beoordeling van orthognathische chirurgie noodzakelijk.
Bij lokale ontsteking moeten de schroefkop, mechanische irritatie, mondhygiëne en belasting worden onderzocht. De behandeling is afhankelijk van de oorzaak en ernst.
Bij klinische mobiliteit is de betrouwbaarheid als verankeringspunt verminderd. De orthodontische belasting moet worden gestaakt totdat is beoordeeld of behoud, verwijdering of herplaatsing verantwoord is.
Progressieve zwelling, pusvorming, toenemende pijn, koorts of trismus kunnen wijzen op een complicatie die snelle beoordeling vereist.
Bij gevoelsverlies of paresthesieën van onderlip of kin moet mogelijk letsel van de nervus alveolaris inferior worden uitgesloten en zo nodig met spoed specialistisch overleg plaatsvinden.
1. Liu, H., Wu, X., Tan, J., & Li, X. (2019). Safe regions of miniscrew implantation for distalization of mandibular dentition with CBCT. Progress in Orthodontics, 20, 45.
https://doi.org/10.1186/s40510-019-0297-6
2. Gandhi, V., Upadhyay, M., Tadinada, A., & Yadav, S. (2021). Variability associated with mandibular buccal shelf area width and height in subjects with different growth pattern, sex, and growth status. American Journal of Orthodontics and Dentofacial Orthopedics, 159(1), 59–70.
https://doi.org/10.1016/j.ajodo.2019.11.020
3. Fan, X., et al. (2025). Measurements of the anatomical structures of the mandibular buccal shelf for the safe insertion of mini-implants: a cone-beam computed tomography retrospective study. BMC Oral Health, 25, 1612.
https://doi.org/10.1186/s12903-025-06980-6
4. Feliciano, J., Pereira, P. M., Proença, L., et al. (2025). 3D Assessment of the Relationship of the Mandibular Buccal Shelf with the Mandibular Canal: A CBCT Retrospective Study. Turkish Journal of Orthodontics, 38(4), 199–205.
https://doi.org/10.4274/TurkJOrthod.2025.2025.37
5. Fan, Z., et al. (2022). Mandibular retromolar space in adults with different sagittal skeletal patterns: Cone-beam computed tomography analysis. The Angle Orthodontist, 92(5), 606–612.
https://doi.org/10.2319/112021-854.1
6. Sarul, M., Lis, J., Park, H. S., & Rumin, K. (2022). Evidence-based selection of orthodontic miniscrews, increasing their success rate in the mandibular buccal shelf. A randomized, prospective clinical trial. BMC Oral Health, 22, 414.
https://doi.org/10.1186/s12903-022-02460-3
7. Chang, C., Liu, S. S. Y., & Roberts, W. E. (2015). Primary failure rate for 1680 extra-alveolar mandibular buccal shelf mini-screws placed in movable mucosa or attached gingiva. The Angle Orthodontist, 85(6), 905–910.
https://doi.org/10.2319/092714.695.1
8. Bhatia, N. K., Barhate, U. H., Duggal, R., et al. (2026). Success Rate and Factors Affecting Stability of Buccal Shelf Miniscrew Implants in Orthodontic Patients: A Systematic Review and Meta-Analysis. Orthodontics & Craniofacial Research. Online gepubliceerd op 2 september 2026.
https://doi.org/10.1111/ocr.70175
9. Setvaji, N. R., & Sundari, S. (2024). Evaluation of Treatment Effects of en Masse Mandibular Arch Distalization Using Skeletal Temporary Anchorage Devices: A Systematic Review. Cureus, 16(10), e71171.
https://doi.org/10.7759/cureus.71171
10. de Almeida, M. R. (2024). Current status of the biomechanics of extra-alveolar miniscrews. Journal of the World Federation of Orthodontists, 13(1), 25–37.
https://doi.org/10.1016/j.ejwf.2023.12.002
11. Lo Giudice, A., Rustico, L., Longo, M., et al. (2021). Complications reported with the use of orthodontic miniscrews: A systematic review. Korean Journal of Orthodontics, 51(3), 199–216.
https://doi.org/10.4041/kjod.2021.51.3.199
12. Jiang, M., Xu, C., & Yan, W. (2025). Assessment of 3D-printed customized placement guides for a temporary anchorage device in the mandibular external oblique line area: a randomized clinical trial. Clinical Oral Investigations, 29, 575.
https://doi.org/10.1007/s00784-025-06655-0
Productspecialist spreken?
Onze specialisten staan klaar om u een passend advies te geven. Bel of Whatsapp op 033-2043010 en kom direct in contact met ons.
Altijd uw favoriete producten binnen handbereik
Sneller bestellen: Altijd direct toegang tot uw meest gebruikte producten.
Minder zoeken: Bewaar uw favorieten overzichtelijk op één plek.
Eenvoudig herbestellen: Bestel met één klik uw terugkerende benodigdheden.