OIT KENNISBANK · ORTHODONTIE
De insertion torque van een orthodontische miniscrew is het draaimoment dat nodig is om de schroef tijdens plaatsing in het bot te draaien. Deze waarde, uitgedrukt in Ncm (newtoncentimeter), geeft informatie over de mechanische weerstand tijdens insertie, maar is geen rechtstreekse maat voor de klinische stabiliteit. Zowel een te lage als een te hoge insertion torque kan ongunstig zijn. De betekenis hangt af van de corticale botdikte, de botkwaliteit, het schroefontwerp, de insertietechniek en de anatomische plaatsingslocatie. Voor betrouwbare orthodontische verankering is daarom een bredere klinische beoordeling nodig dan alleen het bereiken van een bepaalde torque-waarde.
Inhoudsopgave
Insertion torque is het draaimoment dat wordt uitgeoefend tijdens het indraaien van een orthodontische miniscrew in het bot. Het draaimoment ontstaat doordat de schroefdraad weerstand ondervindt van het omliggende botweefsel.
De waarde wordt doorgaans uitgedrukt in newtoncentimeter (Ncm) en kan worden gemeten met een daarvoor geschikte, gekalibreerde torque-schroevendraaier.
Bij insertion torque is het belangrijk onderscheid te maken tussen:
Deze waarden hoeven niet gelijk te zijn. Vooral bij een uitgesproken corticale botlaag kan de weerstand tijdens het passeren van de cortex anders zijn dan tijdens het verdere indraaien.
De gemeten torque wordt beïnvloed door een combinatie van anatomische, materiaalkundige en procedurele factoren:
De insertion torque is daarmee geen eigenschap van alleen de miniscrew. Het is een uitkomst van de interactie tussen schroef, bot en plaatsingstechniek.
De klinische betekenis van deze interactie werd onder meer onderzocht door Motoyoshi en collega's. Hun onderzoek naar plaatsingstorque vormde een belangrijk vertrekpunt voor verdere studies naar het verband tussen torque en succes van orthodontische miniscrews [2,3].
Een veelvoorkomende interpretatiefout is dat een hoge insertion torque automatisch wordt beschouwd als bewijs voor een stabiele miniscrew.
Hoewel er een relatie kan bestaan tussen plaatsingsweerstand en mechanische fixatie, beschrijven beide begrippen verschillende eigenschappen.
Primaire stabiliteit is de mechanische weerstand tegen beweging van de miniscrew onmiddellijk na insertie.
Deze stabiliteit ontstaat hoofdzakelijk door het contact en de mechanische verankering tussen schroefdraad en bot.
Insertion torque geeft indirect informatie over dit contact, maar meet niet rechtstreeks hoe de miniscrew reageert op een orthodontische kracht.
Een miniscrew kan bijvoorbeeld relatief veel weerstand bieden tijdens het indraaien, maar onder een laterale belasting toch ongunstige micromobiliteit ontwikkelen.
Andersom kan een miniscrew met een gematigde insertion torque voldoende mechanische retentie bezitten om de geplande orthodontische belasting te ondersteunen.
De klinische stabiliteit wordt pas duidelijk tijdens het functioneren van de miniscrew.
Daarbij spelen aanvullende factoren een rol:
Een miniscrew die onmiddellijk na insertie onbeweeglijk lijkt, kan in de daaropvolgende weken alsnog mobiliteit ontwikkelen.
Dat hoeft niet te betekenen dat de oorspronkelijke insertion torque onvoldoende was. Ook biologische reacties en ongunstige belasting kunnen bijdragen aan verlies van stabiliteit.
Een hoge torque kan ontstaan door gunstige mechanische verankering in compact corticaal bot. Dezelfde hoge weerstand kan echter ook samenhangen met aanzienlijke lokale compressie.
Die compressie is niet onbeperkt gunstig.
Wanneer tijdens plaatsing microbeschadiging van bot ontstaat, kan de biologische reactie rond de schroef ongunstig worden beïnvloed. Experimenteel onderzoek ondersteunt dat insertion torque invloed heeft op botmicrodamage, maar toont daarmee niet rechtstreeks aan bij welke torque klinisch falen bij mensen optreedt [8].
De belangrijkste consequentie: insertion torque is een nuttige plaatsingsparameter, geen zelfstandige voorspeller van succesvolle orthodontische verankering.
De corticale botlaag is een van de belangrijkste anatomische factoren bij de primaire fixatie van orthodontische miniscrews.
Corticaal bot is de compacte buitenste botlaag. Het verschilt van het onderliggende trabeculaire bot, dat een meer poreuze structuur heeft.
Doordat de schroefdraad in corticaal bot een relatief hoge mechanische weerstand ondervindt, beïnvloeden de eigenschappen van deze laag zowel de insertion torque als de primaire stabiliteit.
Bij een dunne corticale botlaag is doorgaans minder weerstand beschikbaar tijdens insertie. Daardoor kan de insertion torque relatief laag blijven.
Een dikkere corticale laag kan meer mechanisch contact bieden en tot een hogere insertion torque leiden.
Dat betekent echter niet dat een toenemende corticale dikte onbeperkt gunstig is.
Bij compact bot kan een ongunstige verhouding tussen schroefdiameter, schroefdraadontwerp en beschikbaar botvolume leiden tot excessieve compressie en plaatsingsproblemen.
De relatie tussen corticale botdikte, miniscrewpositie en succes is onderzocht in klinische studies, waaronder de retrospectieve analyse van Zhang en collega's uit 2022, waarin 405 miniscrews bij 171 patiënten werden beoordeeld [9].
Dergelijke studies ondersteunen de klinische relevantie van botanatomie, maar maken het niet mogelijk om voor alle plaatsingslocaties dezelfde optimale corticale dikte of torque vast te stellen.
Bij plaatsing tussen tandwortels, bijvoorbeeld in het posterieure maxillaire alveolaire bot, spelen zowel corticale dikte als de beschikbare interradiculaire ruimte een rol.
Een toenemende insertion torque is hier niet automatisch gunstig wanneer de schroef dichter bij een wortel komt te liggen.
Contact met wortelcement of het parodontale ligament kan de insertieweerstand beïnvloeden en vormt een afzonderlijk klinisch risico.
Het palatum biedt op geselecteerde locaties geschikte botcondities voor skeletale verankering. De hoeveelheid beschikbaar bot, de corticale configuratie en de dikte van het palatale slijmvlies variëren echter per regio.
De torque-waarden die bij palatale plaatsing worden gemeten, zijn daarom niet zonder meer vergelijkbaar met waarden bij interradiculaire plaatsing.
De mandibulaire buccal shelf kan relatief compact corticaal bot bieden. Daardoor kan bij self-drilling miniscrews een aanzienlijke plaatsingsweerstand ontstaan.
Juist bij deze locatie kan de keuze voor predrilling relevant zijn, afhankelijk van het miniscrewsysteem en de individuele anatomie.
De mogelijke verschillen tussen self-drilling en predrilling in deze regio zijn onder andere onderzocht in een kleine gerandomiseerde split-mouthstudie uit 2024 [7].
De beoordeling van corticaal bot moet onderdeel zijn van de bredere anatomische planning.
Conventionele röntgenopnamen kunnen informatie bieden over beschikbare interradiculaire ruimte en de ligging van aangrenzende structuren. Zij geven echter geen volledige driedimensionale beoordeling van corticale botdikte.
Conebeam-CT (CBCT) kan aanvullende informatie leveren wanneer die noodzakelijk is voor veilige plaatsing en de klinische vraag niet voldoende met minder belastende diagnostiek kan worden beantwoord.
Vanwege de stralingsbelasting is CBCT niet routinematig gerechtvaardigd uitsluitend om insertion torque te voorspellen. De individuele indicatie en het ALARA-principe blijven leidend.
De keuze tussen self-drilling en predrilling beïnvloedt de weerstand die tijdens insertie ontstaat.
Beide technieken hebben een plaats binnen de orthodontische praktijk. De keuze hangt af van het schroefontwerp, de botcondities en de anatomische locatie.
Bij self-drilling heeft de miniscrew een geometrie waarmee deze zonder voorafgaand boorgat in geschikt bot kan worden ingebracht.
De schroefpunt en schroefdraad verzorgen tijdens insertie de benodigde botpenetratie en draadontwikkeling.
Het belangrijkste praktische voordeel is dat een afzonderlijke boorfase kan worden vermeden.
Bij dunner of minder compact corticaal bot kan dit een efficiënte plaatsingsmethode zijn.
In compact bot kan de weerstand echter sterk toenemen, met mogelijk ongunstige botcompressie of overbelasting van de schroef als gevolg.
Bij predrilling wordt vooraf een pilotboorgat gemaakt.
De bedoeling is om de weerstand tijdens insertie te beheersen en de botpenetratie gecontroleerder te laten verlopen.
Predrilling kan vooral zinvol zijn wanneer een schroef anders een te hoge plaatsingsweerstand zou ondervinden.
De uiteindelijke torque hangt echter sterk af van de diameter en diepte van het boorgat ten opzichte van de schroefgeometrie.
Een relatief groot boorgat kan de mechanische grip verminderen. Een onvoldoende voorbereid boorgat kan daarentegen nog steeds tot overmatige weerstand leiden.
Bovendien introduceert predrilling eigen risico's, zoals mechanisch of thermisch bottrauma en beschadiging van aangrenzende anatomische structuren. Geschikt boorinstrumentarium, koeling waar geïndiceerd en gecontroleerde boordiepte zijn daarom belangrijk.
| Onderdeel | Self-drilling | Predrilling |
|---|---|---|
| Botpenetratie | Rechtstreeks door de miniscrew | Eerst met pilotboor |
| Plaatsingsweerstand | Sterker afhankelijk van directe botcompressie en snijwerking | Kan worden verminderd door voorbereiding van het bot |
| Potentieel voordeel | Minder procedurele stappen | Meer controle bij hoge botweerstand |
| Belangrijk risico | Hoge torque, botmicrotrauma of schroefbeschadiging | Overpreparatie, boortrauma of verlies van mechanische grip |
| Klinische overweging | Geschikt bij passende botkwaliteit en schroefgeometrie | Te overwegen bij compact corticaal bot of op systeemindicatie |
De vergelijking is kwalitatief. De beschikbare literatuur ondersteunt geen universele voorkeur voor één techniek bij alle miniscrews en anatomische locaties.
Yi en collega's onderzochten de succespercentages van self-drilling en self-tapping miniscrews in een systematische review en meta-analyse [6].
Een belangrijk interpretatiepunt is dat de categorieën self-drilling en self-tapping ook verschillen in schroefontwerp kunnen omvatten. Een verschil in klinisch succes is daardoor niet altijd uitsluitend aan het wel of niet voorboren toe te schrijven.
Watanabe en collega's onderzochten in 2022 bij 44 patiënten verschillende miniscrews en insertietechnieken, inclusief metingen van maximale insertion torque en Periotest-waarden [5].
In de gerandomiseerde split-mouthstudie van Ummat en collega's werden twee buccal shelf-schroeven per patiënt geplaatst, bij in totaal zeven patiënten [7]. Dit onderzoek is relevant doordat het specifiek de plaatsingsmethode vergelijkt, maar de kleine onderzoekspopulatie beperkt de zekerheid waarmee de bevindingen naar andere patiënten, schroefsystemen en locaties kunnen worden vertaald.
Voor de praktijk betekent dit dat de plaatsingstechniek moet worden afgestemd op de individuele botanatomie én de technische specificaties van het gebruikte miniscrewsysteem.
Zowel een te geringe als een excessieve insertion torque kan aanleiding geven tot klinische problemen.
De relevante beoordeling betreft niet uitsluitend de gemeten waarde, maar vooral de vraag of de schroef veilig is geplaatst en voldoende mechanische retentie heeft voor de geplande toepassing.
Een relatief lage insertion torque kan wijzen op beperkte weerstand tussen schroef en bot.
Mogelijke verklaringen zijn een dunne corticale botlaag, een relatief lage botdichtheid, een ongunstige schroef-botverhouding of een te ruim voorbereid boorgat.
Mogelijke gevolgen zijn:
Een lage torque betekent echter niet per definitie dat de miniscrew zal falen.
De absolute meetwaarde moet worden geïnterpreteerd in relatie tot het gebruikte systeem en de anatomische locatie.
Bij klinisch onvoldoende primaire stabiliteit is het niet verstandig om de schroef uitsluitend vanwege een numerieke torque-doelwaarde verder aan te draaien.
Een nieuwe beoordeling van plaatsingslocatie, implantaatkeuze en belasting is dan aangewezen.
Een hoge insertion torque kan samenhangen met sterk corticaal botcontact, maar ook met ongunstige lokale omstandigheden.
Mogelijke complicaties zijn:
Botmicrotrauma. Hoge compressieve spanningen rond de schroefdraad kunnen lokaal microbeschadigingen veroorzaken. Nguyen en collega's onderzochten deze relatie experimenteel in varkensbot [8]. De klinische vertaling van zulke laboratoriumresultaten blijft beperkt.
Schroefvervorming of fractuur. Wanneer de benodigde torque de mechanische belastbaarheid van de miniscrew benadert of overschrijdt, kan beschadiging of fractuur optreden.
Ongewenst contact met anatomische structuren. Een plotseling toenemende weerstand kan aanleiding zijn om de positie kritisch te beoordelen. Torque alleen is echter geen betrouwbare methode om wortelcontact vast te stellen of uit te sluiten.
Ongunstige botrespons. Sterke compressie kan biologisch nadelig zijn, maar de precieze relatie tussen insertion torque, lokale botvitaliteit en klinisch falen is onvoldoende gekwantificeerd.
Een abrupte, onverwachte stijging van de plaatsingsweerstand verdient aandacht, vooral wanneer deze niet past bij de verwachte passage door de corticale botlaag.
Forceer de miniscrew in die situatie niet verder.
Beoordeel de insertierichting, de resterende anatomische ruimte en de mogelijkheid van contact met een wortel of andere structuur. Verricht aanvullende beeldvorming wanneer dit klinisch gerechtvaardigd is.
Ook onverwachte hevige pijn, aanhoudende bloeding, neurologische verschijnselen of een vermoeden van beschadiging van een tandwortel zijn redenen om de procedure te onderbreken en gericht te beoordelen. Bij verdenking op zenuwletsel of andere significante schade is passende verwijzing aangewezen.
Een betrouwbare beoordeling begint vóór de daadwerkelijke insertie.
De orthodontist moet inzicht hebben in de beschikbare botanatomie, het gewenste krachtensysteem en de eigenschappen van de geselecteerde miniscrew.
Voor kwantitatieve beoordeling is een geschikt torque-meetinstrument nodig.
Een conventionele handschroevendraaier zonder meetfunctie biedt vooral subjectieve informatie over de plaatsingsweerstand.
Dit kan klinisch waardevol zijn, maar levert geen reproduceerbare numerieke registratie op.
Een gekalibreerde torque-schroevendraaier biedt de mogelijkheid om insertion torque te meten en, afhankelijk van het instrument, de maximale waarde vast te leggen.
Voor een zinvolle interpretatie moeten ten minste het volgende bekend zijn:
Zonder deze context is vergelijking van absolute torque-waarden tussen patiënten of behandelaars beperkt zinvol.
Er bestaat geen goed onderbouwde, universele optimale insertion torque voor alle orthodontische miniscrews.
De vaak aangehaalde publicatie van Motoyoshi en collega's uit 2006 betrof 124 mini-implantaten bij 41 orthodontische patiënten, geplaatst in een specifieke posterieure alveolaire context [2].
Daarom kunnen uit dat onderzoek afkomstige torque-intervallen niet zonder verdere onderbouwing worden toegepast op palatale miniscrews, grotere extra-alveolaire schroeven of andere implantaatgeometrieën.
Ook het overzicht van Uchida, Namura en Motoyoshi uit 2023 benadrukt dat de geschikte insertion torque moet worden beoordeeld in samenhang met schroefeigenschappen, insertiemethode en plaatsingslocatie [1].
Het streven is dus niet om bij elke patiënt dezelfde Ncm-waarde te bereiken.
Het doel is voldoende mechanische retentie zonder onnodige beschadiging van bot of implantaat.
| Klinische bevinding | Mogelijke betekenis | Passende vervolgstap |
|---|---|---|
| Lage torque, maar geen klinische mobiliteit | Beperkte weerstand, mogelijk toch voldoende retentie | Beoordeel geplande belasting en overige risicofactoren |
| Lage torque met duidelijke mobiliteit | Onvoldoende primaire stabiliteit | Niet belasten; heroverweeg locatie en implantaatkeuze |
| Geleidelijke toename van torque binnen systeemgrenzen | Kan passen bij normale mechanische botinteractie | Volg het gevalideerde plaatsingsprotocol |
| Onverwacht sterke weerstandstoename | Mogelijk compact bot, ongunstige geometrie of contact met anatomische structuur | Stop en herbeoordeel voordat verder wordt gedraaid |
| Hoge torque met vermoeden van implantaatbeschadiging | Mogelijke mechanische overbelasting | Staak verdere insertie en beoordeel schroef en botlocatie |
| Aanvankelijk stabiel, later mobiliteit | Verlies van functionele stabiliteit | Beoordeel belasting, weefsels en eventuele noodzaak tot verwijdering |
Deze beslisfactoren zijn klinische interpretatiehulpen, geen gevalideerd scoresysteem.
Naast insertion torque zijn in onderzoek andere methoden gebruikt om miniscrewstabiliteit te beoordelen.
De Periotest registreert bijvoorbeeld de mechanische respons van een structuur op een gestandaardiseerde impact. Resonantiefrequentieanalyse (RFA) onderzoekt de mechanische eigenschappen van een implantaat-botsysteem via trillingsrespons.
Watanabe en collega's onderzochten in 2017 de relatie tussen insertion torque, Periotest-waarden en klinische uitkomst [4].
Deze methoden bieden aanvullende onderzoeksmogelijkheden, maar de gemeten waarden zijn niet zonder meer uitwisselbaar tussen schroefsystemen. Er bestaan geen algemeen geaccepteerde drempelwaarden waarmee bij alle orthodontische miniscrews toekomstig klinisch succes betrouwbaar kan worden vastgesteld.
In de dagelijkse praktijk blijft de combinatie van anatomische beoordeling, plaatsingsverloop, klinische stabiliteit en belasting leidend.
Orthodontische miniscrews worden vaak kort na plaatsing belast. Anders dan bij conventionele dentale implantaten is langdurige osseointegratie doorgaans geen vereiste voor hun oorspronkelijke functie als tijdelijke orthodontische verankering.
De vraag of een miniscrew onmiddellijk kan worden belast, wordt echter niet uitsluitend door insertion torque bepaald.
Bij directe belasting wordt de orthodontische kracht kort na plaatsing aangebracht.
Bij uitgestelde belasting wordt eerst een periode gewacht voordat de miniscrew functioneel wordt gebruikt.
Migliorati en collega's onderzochten in een gerandomiseerde klinische studie uit 2016 veranderingen in de mechanische stabiliteit van onmiddellijk belaste miniscrews en een aanvankelijk onbelaste controlegroep [10].
Dit onderzoek is relevant voor de vroege stabiliteitsfase, maar de resultaten mogen niet worden gelezen als bewijs dat directe belasting onder alle omstandigheden even veilig is.
Vooral de initiële mechanische retentie, de anatomische locatie, de krachtconfiguratie en de conditie van het omliggende weefsel blijven bepalend.
De insertion torque wordt gemeten tijdens een roterende beweging van de miniscrew.
Orthodontische krachten werken doorgaans anders op het implantaat.
Bij directe skeletale verankering wordt kracht rechtstreeks tussen de miniscrew en een orthodontisch element overgebracht. Bij indirecte verankering stabiliseert de miniscrew een tand of tandgroep die vervolgens onderdeel is van het krachtensysteem.
De belasting kan daardoor verschillende componenten bevatten, waaronder:
Het aangrijpingspunt van de orthodontische kracht ten opzichte van de botgrens kan hierbij belangrijk zijn.
Een kracht die relatief ver boven de botgrens aangrijpt, kan een groter kantelmoment veroorzaken dan dezelfde kracht met een kortere hefboomarm.
Daarom kan een miniscrew met een relatief hoge insertion torque nog steeds mechanisch ongunstig worden belast.
Belasting moet worden heroverwogen wanneer de primaire stabiliteit klinisch onvoldoende is, de schroef al bij geringe functionele krachten mobiliteit vertoont of de plaatsing gepaard ging met een relevante complicatie.
Ook progressieve pijn, ontsteking, mucosale problemen of toenemende mobiliteit tijdens de behandeling vragen om herbeoordeling.
Bij een klinisch falende miniscrew is het doorgaans onverstandig om de orthodontische kracht te handhaven zonder de oorzaak te onderzoeken.
De behandelaar moet beoordelen of ontlasting, verwijdering of een andere verankeringsstrategie nodig is.
De wetenschappelijke literatuur ondersteunt dat insertion torque een relevante mechanische parameter is bij de plaatsing van orthodontische miniscrews.
De bewijsbasis voor één universele optimale torque-waarde is echter zwak.
De onderzoeken van Motoyoshi en collega's [2,3] en Watanabe en collega's [4,5] laten zien dat plaatsingsweerstand, botanatomie en stabiliteitsmetingen klinisch relevante variabelen zijn.
De studies verschillen echter in gebruikte miniscrews, anatomische locaties, onderzoeksmethoden en definities van succes.
Bovendien zijn veel gegevens afkomstig uit observationele studies.
Daarom blijft onzeker hoeveel insertion torque zelfstandig bijdraagt aan de voorspelling van falen, onafhankelijk van bijvoorbeeld wortelnabijheid, corticale botdikte en plaatsingslocatie.
De uitgebreide literatuurbespreking van Uchida en collega's uit 2023 omvatte elf oorspronkelijke humane onderzoeken waarin insertion torque en succes werden bestudeerd [1].
Deze publicatie is inhoudelijk direct relevant, maar een uitgebreide review levert niet automatisch dezelfde bewijszekerheid als een goed uitgevoerde systematische review met consistente resultaten.
De systematische review van Yi en collega's [6] ondersteunt het belang van de insertiemethode als onderzoeksvraag, maar verschillen tussen gebruikte miniscrewontwerpen, locaties en onderzoeksprotocollen beperken de generaliseerbaarheid.
Het gerandomiseerde onderzoek van Ummat en collega's [7] biedt specifiek vergelijkend bewijs voor de mandibulaire buccal shelf. Door de kleine steekproef is het bewijs onvoldoende voor brede, systeemoverstijgende conclusies.
Het experimentele onderzoek van Nguyen en collega's [8] toont dat insertion torque relevant is voor de ontwikkeling van microbeschadiging tijdens schroefinsertie onder laboratoriumomstandigheden.
De gebruikte dierlijke botmonsters en gecontroleerde experimentele omstandigheden verschillen echter van de klinische orthodontische situatie.
Daarom is het niet gerechtvaardigd om een experimenteel gevonden torque-waarde rechtstreeks als klinische veiligheidsgrens te hanteren.
| Onderzoeksvraag | Samenvatting van het bewijs | Zekerheid voor een algemene klinische uitspraak |
|---|---|---|
| Beïnvloedt botanatomie de insertion torque? | Mechanistisch goed verklaarbaar en ondersteund door klinische en experimentele gegevens | Redelijk voor de richting van het verband; beperkt voor exacte voorspellingen |
| Voorspelt insertion torque zelfstandig succes? | Klinische associaties zijn onderzocht, maar andere factoren beïnvloeden de uitkomst | Laag |
| Is één torque-interval optimaal voor alle miniscrews? | Geen overtuigend universeel gevalideerd interval | Zeer laag |
| Is self-drilling beter dan predrilling? | Vergelijkend bewijs aanwezig, maar sterk contextafhankelijk | Laag voor een algemene voorkeur |
| Kan direct na plaatsing worden belast? | Directe belasting is klinisch toepasbaar bij geschikte casusselectie | Beperkt voor algemene toepasbaarheid; afhankelijk van omstandigheden |
| Veroorzaakt excessieve torque botmicrotrauma? | Ondersteund door experimentele gegevens | Mechanistisch aannemelijk, maar beperkte zekerheid over klinische drempelwaarden |
De beoordelingen zijn redactionele inschattingen op basis van onderzoeksontwerp, toepasbaarheid en beperkingen van de gevonden literatuur. Ze vormen geen formeel uitgevoerde GRADE-beoordeling.
Conclusie uit de literatuur: de insertion torque is waardevol als onderdeel van de plaatsingsbeoordeling, maar onvoldoende betrouwbaar als enige maat voor primaire stabiliteit of toekomstig klinisch succes.
De keuze van schroef en insertietechniek moet worden geïntegreerd met individuele anatomie, biomechanische planning en het klinische verloop.
Insertion torque verdient een vaste plaats binnen de klinische beoordeling van orthodontische miniscrews, mits de waarde correct wordt geïnterpreteerd.
Voor de behandelplanning zijn vijf aandachtspunten essentieel:
Het belangrijkste inzicht is dat insertion torque niet moet worden gemaximaliseerd, maar beheerst.
Een succesvolle miniscrewplaatsing combineert voldoende mechanische retentie met zo weinig mogelijk onnodig bot- en implantaattrauma.
Dat vraagt om een voorspelbare plaatsingstechniek, aandacht voor corticale botcondities, betrouwbare instrumenten en zorgvuldige beoordeling van de orthodontische belasting.
Insertion torque is daarbij een bruikbare klinische parameter, maar geen vervanging voor anatomische kennis, biomechanische planning of specialistisch oordeel.
Er bestaat geen universeel optimale insertion torque die op alle orthodontische miniscrews toepasbaar is. De gewenste plaatsingsweerstand hangt onder meer af van de schroefdiameter, schroefdraadgeometrie, botdichtheid, corticale botdikte en anatomische locatie. In oudere klinische studies zijn specifieke torque-intervallen onderzocht, maar deze zijn gekoppeld aan bepaalde implantaattypen en plaatsingsregio's. Ze mogen daarom niet automatisch worden overgenomen voor andere systemen. Klinisch is het belangrijker dat de miniscrew voldoende mechanische retentie heeft zonder excessieve botcompressie of materiaalbelasting. De technische specificaties van het gekozen systeem blijven een noodzakelijke randvoorwaarde.
Nee. Een lage insertion torque betekent dat tijdens het indraaien relatief weinig mechanische weerstand werd ondervonden. Dit kan wijzen op een dunne corticale botlaag, een minder compacte botstructuur of beperkte interactie tussen de schroefdraad en het bot. Een lage torque is echter niet gelijk aan klinische instabiliteit. Sommige miniscrews kunnen ondanks een relatief lage plaatsingsweerstand voldoende stabiel functioneren. Wanneer daadwerkelijk mobiliteit aanwezig is, moet de belasting worden uitgesteld en de plaatsing opnieuw worden beoordeeld. De combinatie van torque, anatomie en klinische stabiliteit is informatiever dan de afzonderlijke meetwaarde.
Niet in alle gevallen. De mandibulaire buccal shelf kan een relatief dikke en compacte corticale botlaag hebben, waardoor de plaatsingsweerstand bij self-drilling sterk kan oplopen. Predrilling kan helpen om deze weerstand te beheersen en excessieve compressie te beperken. De noodzaak hangt echter af van de individuele botanatomie en het ontwerp van de miniscrew. Bovendien moet de voorbereiding van het boorgat zorgvuldig worden uitgevoerd om overpreparatie en thermisch of mechanisch trauma te voorkomen. Er is onvoldoende klinisch bewijs voor één verplicht predrillingprotocol dat voor alle buccal shelf-miniscrews geschikt is.
Een miniscrew kan onder geschikte omstandigheden onmiddellijk of kort na plaatsing worden belast, maar een hoge insertion torque is daarvoor geen zelfstandige garantie. De behandelaar moet ook de klinische primaire stabiliteit, plaatsingslocatie, zachte weefsels en geplande orthodontische krachtconfiguratie beoordelen. De richting van de belasting en het aangrijpingspunt ten opzichte van de botgrens zijn biomechanisch belangrijk. Een hoge insertion torque compenseert niet automatisch een ongunstige hefboomwerking of onvoldoende botvolume. Bij klinische mobiliteit of twijfel over de veilige plaatsing is onmiddellijke belasting niet aangewezen en moet het behandelplan worden heroverwogen.
Een onverwachte sterke stijging van de insertion torque is aanleiding om de insertie te onderbreken. De weerstand kan samenhangen met compact corticaal bot, een ongunstige schroef-botverhouding of contact met een anatomische structuur. Alleen op basis van torque kan niet worden vastgesteld welke verklaring juist is. Controleer daarom de insertierichting, de positie ten opzichte van aangrenzende wortels en de technische grenzen van het miniscrewsysteem. Forceer de schroef niet verder wanneer de weerstand onverklaarbaar is. Bij verdenking op wortelcontact of andere schade is aanvullend klinisch en zo nodig radiologisch onderzoek aangewezen.
Literatuur gezocht op 12 oktober 2026 met Engelstalige zoekcombinaties rond orthodontic miniscrew insertion torque, primary stability, cortical bone thickness, self-drilling, predrilling, immediate loading en failure. De onderstaande publicaties zijn bibliografisch teruggevonden via wetenschappelijke zoekresultaten en tijdschriftverwijzingen. Niet alle volledige artikelen waren vrij toegankelijk; dit is meegenomen in de terughoudende interpretatie van de resultaten.
Uchida, Y., Namura, Y., & Motoyoshi, M. (2023). Optimal insertion torque for orthodontic anchoring screw placement: A comprehensive review. Applied Sciences, 13(19), 10681. Tijdschriftpublicatie
Motoyoshi, M., Hirabayashi, M., Uemura, M., & Shimizu, N. (2006). Recommended placement torque when tightening an orthodontic mini-implant. Clinical Oral Implants Research. DOI: 10.1111/j.1600-0501.2005.01211.x
Motoyoshi, M., Yoshida, T., Ono, A., & Shimizu, N. (2007). Effect of cortical bone thickness and implant placement torque on stability of orthodontic mini-implants. The International Journal of Oral & Maxillofacial Implants, 22(5), 779–784. Bibliografische bronvermelding
Watanabe, T., Miyazawa, K., Fujiwara, T., et al. (2017). Insertion torque and Periotest values are important factors predicting outcome after orthodontic miniscrew placement. American Journal of Orthodontics and Dentofacial Orthopedics. Tijdschriftpublicatie
Watanabe, K., Lee, S., Lee, D., Zheng, F., Kyung, H. M., et al. (2022). Evaluation of clinical parameters for the stability of 2 types of miniscrews. American Journal of Orthodontics and Dentofacial Orthopedics. Tijdschriftpublicatie
Yi, J., Ge, M., Li, M., Li, C., Li, Y., et al. (2017). Comparison of the success rate between self-drilling and self-tapping miniscrews: A systematic review and meta-analysis. European Journal of Orthodontics, 39(3), 287 e.v. Tijdschriftpublicatie
Ummat, A., Shetty, S., Desai, A., Nambiar, S., et al. (2024). Comparative assessment of the stability of buccal shelf mini-screws with and without pre-drilling—a split-mouth, randomized controlled trial. Clinical Oral Investigations. DOI: 10.1007/s00784-024-05925-7
Nguyen, M. V., Codrington, J., Fletcher, L., et al. (2018). The influence of miniscrew insertion torque. European Journal of Orthodontics, 40(1), 37 e.v. Tijdschriftpublicatie
Zhang, S., Choi, Y., Li, W., Shi, D., Tang, P., et al. (2022). The effects of cortical bone thickness and miniscrew implant root proximity on the success rate of miniscrew implant: A retrospective study. Orthodontics & Craniofacial Research. DOI: 10.1111/ocr.12538
Migliorati, M., Drago, S., Gallo, F., Amorfini, L., et al. (2016). Immediate versus delayed loading: Comparison of primary stability loss after miniscrew placement in orthodontic patients—a single-centre blinded randomized clinical trial. European Journal of Orthodontics, 38(6), 652 e.v. Tijdschriftpublicatie
Alharbi, F., Almuzian, M., & Bearn, D. (2018). Miniscrews failure rate in orthodontics: Systematic review and meta-analysis. European Journal of Orthodontics, 40(5), 519 e.v. Tijdschriftpublicatie
Gerelateerde woordenboekbegrippen
TAD · Anchorage · Skeletale anchorage · Torque
Productspecialist spreken?
Onze specialisten staan klaar om u een passend advies te geven. Bel of Whatsapp op 033-2043010 en kom direct in contact met ons.
Altijd uw favoriete producten binnen handbereik
Sneller bestellen: Altijd direct toegang tot uw meest gebruikte producten.
Minder zoeken: Bewaar uw favorieten overzichtelijk op één plek.
Eenvoudig herbestellen: Bestel met één klik uw terugkerende benodigdheden.