OIT Kennisbank · Orthodontie
De juiste diameter en lengte van een orthodontische miniscrew worden bepaald door de beschikbare botruimte, de anatomische plaatsingslocatie, de dikte van de weke delen en de mechanische belasting. Een grotere diameter kan de mechanische sterkte verhogen, maar beperkt de plaatsingsmogelijkheden tussen tandwortels. Een langere schroef kan meer botcontact bieden, mits daarvoor voldoende veilige anatomische ruimte bestaat.
Er is daarom geen universeel optimale combinatie van diameter en lengte. Bij de maatkeuze moeten klinische stabiliteit, anatomische veiligheid en het beoogde krachtensysteem gezamenlijk worden beoordeeld. Wetenschappelijk onderzoek ondersteunt een locatieafhankelijke benadering, maar levert geen algemeen toepasbare maatvoering op.
Orthodontische miniscrews, ook wel tijdelijke skeletale verankeringsschroeven of temporary anchorage devices (TADs) genoemd, zijn verkrijgbaar in verschillende diameters, lengtes en ontwerpen.
Bij gangbare systemen komen diameters van ongeveer 1,2 tot 2,0 mm voor. Veelvoorkomende nominale lengtes zijn 6, 8, 10 en 12 mm. Voor specifieke extra-alveolaire of palatale toepassingen bestaan ook langere uitvoeringen. Het totale assortiment verschilt echter per fabrikant.
Deze maatvoeringen zijn een overzicht van verkrijgbare ontwerpvarianten, geen klinische aanbeveling voor een bepaalde locatie.
Bij productvergelijking zijn vier eigenschappen relevant:
Daarnaast verschillen miniscrews in schroefdraadspoed, coniciteit, materiaal en kopvorm.
Een miniscrew van 1,6 × 8 mm bij de ene fabrikant is daarom niet noodzakelijk biomechanisch of geometrisch identiek aan een product met dezelfde nominale afmetingen van een andere fabrikant.
Voor de praktijk is een overzicht met uitsluitend diameter en lengte onvoldoende. Ook de kopconfiguratie, halslengte, schroefkern en compatibiliteit met plaatsingsinstrumenten bepalen de klinische inzetbaarheid.
Een bruikbaar assortiment moet aansluiten bij de plaatsingslocaties en krachtensystemen die binnen de praktijk daadwerkelijk worden toegepast.
De diameter heeft rechtstreeks invloed op de mechanische eigenschappen van een miniscrew. Bij gelijke materiaalsoort en vergelijkbare geometrie biedt een grotere schroefkern in beginsel meer weerstand tegen buiging en fractuur.
De sterkte wordt echter niet uitsluitend door de opgegeven buitendiameter bepaald. Ook de schroefdraadgeometrie, kerndiameter, coniciteit en materiaaleigenschappen zijn relevant.
Miniscrews met een kleinere diameter kunnen voordelen bieden wanneer de interradiculaire botruimte beperkt is.
De kleinere buitendiameter maakt het in beginsel gemakkelijker om voldoende afstand te houden tot aangrenzende tandwortels. Dit betekent niet dat een dunne schroef zonder aanvullende anatomische beoordeling veilig kan worden geplaatst.
Een kleinere diameter kan tegelijkertijd gepaard gaan met:
Een grotere diameter kan de mechanische weerstand verhogen en onder bepaalde omstandigheden meer contact tussen schroef en bot opleveren.
Daartegenover staan een grotere benodigde botruimte en mogelijk hogere insertieweerstand.
In een in-vitrostudie van Sousa-Santos en collega's werden miniscrews met verschillende diameters onder buigbelasting onderzocht. De resultaten ondersteunen het belang van de diameter voor de mechanische eigenschappen, maar tonen ook dat kleinere diameters onder de onderzochte laboratoriumomstandigheden voldoende weerstand kunnen bieden. Deze bevinding mag niet worden vertaald naar een gegarandeerde klinische overleving. [3]
Klinische implicatie: kies niet automatisch de grootste diameter. De optimale afmeting is de diameter die voldoende mechanische eigenschappen biedt zonder de anatomische veiligheidsmarge onnodig te verkleinen.
De lengte bepaalt mede hoeveel contact een miniscrew met het omringende bot kan verkrijgen.
Bij een langere intraossale verankering kan het beschikbare contactoppervlak toenemen. Of dit de stabiliteit verbetert, hangt af van de kwaliteit van het betrokken bot, de corticalis en de krachten die op de schroef worden uitgeoefend.
Een langere schroef is niet noodzakelijk stabieler wanneer een deel van de lengte in minder ondersteunend bot ligt of wanneer de insertierichting tot anatomische risico's leidt.
Voor de klinische keuze is vooral relevant welk gedeelte van de schroef daadwerkelijk in het bot wordt verankerd.
Een nominale schroeflengte van 8 mm betekent niet automatisch dat 8 mm aan effectief botcontact beschikbaar is. Dit is afhankelijk van de meetconventie van de fabrikant, de halsconstructie, de mucosadikte en de uiteindelijke insertiediepte.
De behandelaar moet daarom onderscheid maken tussen de lengte van het product en de feitelijk beoogde intraossale verankering.
Bij de beoordeling van de beschikbare lengte spelen verschillende structuren een rol:
Driedimensionale anatomische studies bevestigen dat de botdiepte binnen het palatum sterk varieert. Zelfs nabij bekende klinische referentiepunten kunnen relevante verschillen optreden. [4], [5]
De keuze voor een langere schroef mag daarom nooit uitsluitend worden gebaseerd op de wens om meer stabiliteit te verkrijgen.
Het onderscheid tussen interradiculaire en palatale plaatsing is essentieel voor een verantwoorde afmetingskeuze.
Bij interradiculaire plaatsing bevindt de miniscrew zich in het alveolaire bot tussen tandwortels. Bij palatale plaatsing wordt verankering gezocht in het bot van het gehemelte, vaak mediaan of paramediaan.
Beide locaties hebben andere anatomische beperkingen.
| Beslisfactor | Interradiculaire plaatsing | Palatale plaatsing |
|---|---|---|
| Belangrijkste anatomische beperking | Afstand tussen wortels en beschikbare alveolaire botbreedte | Palatale botdiepte, corticalis en aangrenzende anatomische structuren |
| Diameter | Vaak begrensd door wortelruimte | Soms meer vrijheid in diameter, afhankelijk van lokale anatomie |
| Lengte | Voldoende botverankering zonder onveilig wortelcontact | Afstemmen op botdiepte en transmucosale passage |
| Weke delen | Bij voorkeur goed toegankelijke, stabiele gingivale omgeving | Sterk variabele mucosadikte |
| Belangrijk complicatierisico | Wortelcontact of wortelbeschadiging | Onjuiste penetratiediepte, beschadiging van anatomische structuren of weke-delenproblemen |
| Krachtensysteem | Directe of indirecte verankering | Vaak gekoppeld aan palatale verankeringsconstructies, maar directe belasting is eveneens mogelijk |
Bij interradiculaire plaatsing krijgt het behoud van veilige wortelafstand hoge prioriteit.
De beschikbare botruimte moet worden beoordeeld in relatie tot zowel de schroefdiameter als de geplande insertierichting. Bovendien kunnen tandwortels tijdens orthodontische behandeling verplaatsen. Een aanvankelijk gunstige positie blijft daardoor niet vanzelfsprekend gedurende de volledige verankeringsperiode veilig.
Een systematische review van Mohammed en collega's vond aanwijzingen dat wortelcontact het falen van interradiculaire miniscrews beïnvloedt. De bevindingen benadrukken het belang van anatomische plaatsingsplanning. [2]
In het palatum ontbreekt op diverse locaties de directe beperking door tandwortels. Daardoor kunnen andere diameters en verankeringsconfiguraties mogelijk zijn.
De beschikbare botdiepte is echter niet uniform.
Nucera en collega's onderzochten de botdiepte, corticalis en mucosadikte rond de derde palatinale ruga. De studie ondersteunt het gebruik van anatomische referentiepunten bij de plaatsingsplanning, maar laat ook zien dat individuele variatie bepalend blijft. [4]
Een afzonderlijke studie naar posterieure palatale plaatsing onderstreepte eveneens het belang van lokale anatomische beoordeling. [5]
Belangrijk: palatale plaatsing is niet automatisch veiliger dan interradiculaire plaatsing. De aard van het risico verandert, maar de noodzaak van een individuele anatomische beoordeling blijft bestaan.
De hoogte en kwaliteit van de weke delen beïnvloeden de keuze van de miniscrewlengte en de halsconfiguratie.
Dit is vooral relevant bij palatale plaatsing, waar de mucosadikte plaatselijk aanzienlijk kan verschillen.
Een miniscrew bestaat functioneel uit een intraossaal verankeringsgedeelte en een gedeelte dat de weke delen passeert om de schroefkop toegankelijk te houden.
Wanneer de transmucosale hals onvoldoende aansluit bij de weke-delenhoogte, kan de schroefkop te dicht op de mucosa komen te liggen.
Mogelijke gevolgen zijn drukirritatie, bemoeilijkte reiniging en overgroei van weke delen rond de kop.
Een onnodig lange hals kan daarentegen de afstand tussen het aangrijpingspunt van de kracht en het bot vergroten. Dit kan de buigbelasting op het schroeflichaam beïnvloeden.
De juiste halslengte is daarom niet simpelweg de langst beschikbare variant, maar de lengte die een functionele en hygiënisch toegankelijke overgang tussen botverankering en schroefkop mogelijk maakt.
Burak en Hilmi onderzochten in 2024 met CBCT-beelden de palatale mucosadikte op verschillende potentiële miniscrewlocaties. De studie bevestigt dat de mucosadikte regionaal varieert. [7]
Bij de klinische keuze moet de weke-delenhoogte worden beoordeeld met een passende onderzoeksmethode. CBCT is daarbij niet standaard vereist; de indicatie voor aanvullende driedimensionale beeldvorming moet afzonderlijk worden onderbouwd.
Ook de kwaliteit van de mucosa is belangrijk. Een schroefkop in beweeglijke mucosa kan andere reinigings- en irritatieproblemen geven dan een kop in stabiele, gekeratiniseerde weke delen.
Primaire stabiliteit is de mechanische stabiliteit van een miniscrew direct na plaatsing, voordat latere biologische veranderingen rondom het bot-schroefcontact optreden.
Deze stabiliteit is essentieel voor de geplande orthodontische verankering, maar wordt niet door één afmeting bepaald.
De belangrijkste factoren zijn:
De schroefdiameter kan bijdragen aan de mechanische verankering, maar een groter contactoppervlak compenseert geen ongeschikte plaatsingslocatie.
Insertion torque is het draaimoment dat nodig is om de miniscrew in het bot te plaatsen.
Een hogere insertieweerstand kan wijzen op sterker mechanisch contact, maar is niet automatisch gunstig. Een te hoge weerstand kan samenhangen met botcompressie, microbeschadiging of een verhoogd risico op schroeffractuur.
De systematische review van Reynders en collega's vond onvoldoende bewijs om één specifieke maximale insertietorque als universele voorspeller van klinisch succes aan te wijzen. [8]
Diameter en lengte moeten daarom in samenhang worden gekozen met het plaatsingsprotocol van het betreffende systeem.
Bij directe verankering wordt de orthodontische kracht rechtstreeks vanaf de miniscrew op het dentitie-element of de tandgroep overgebracht.
Bij indirecte verankering stabiliseert de miniscrew eerst een andere orthodontische constructie.
De kophoogte, de richting van de kracht en het moment dat op de schroef ontstaat, kunnen daarbij verschillen. Een grotere diameter kan onder bepaalde belastingsomstandigheden wenselijk zijn, maar de verankering moet steeds als compleet biomechanisch systeem worden beoordeeld.
Een ongeschikte maatkeuze kan bijdragen aan mechanische, biologische en anatomische complicaties.
Een te grote diameter of onjuist gekozen insertierichting kan de beschikbare afstand tot een tandwortel onvoldoende respecteren.
Mogelijke gevolgen zijn lokale beschadiging, pijn, verlies van stabiliteit en, afhankelijk van de aard van het contact, schade aan worteloppervlak of omliggende structuren.
De systematische review van Lo Giudice en collega's beschrijft wortelgerelateerde complicaties als een belangrijk aandachtspunt bij interradiculaire miniscrews. [6]
Bij verdenking op wortelcontact moet de plaatsing of verdere belasting worden herbeoordeeld. Aanvullend onderzoek en zo nodig overleg met een endodontoloog of kaakchirurg zijn aangewezen.
Een te beperkte botverankering kan bijdragen aan onvoldoende primaire stabiliteit of latere mobiliteit.
Maar ook een grotere schroef met ongunstige plaatsing kan falen. Het klinische resultaat is afhankelijk van het volledige samenspel tussen anatomie, techniek, belasting en weke-delenconditie.
Een dunne schroefkern kan kwetsbaar zijn voor hoge torsie- of buigbelasting. Ook de geometrie van de schroef en de gebruikte plaatsingsinstrumenten zijn van invloed.
Bij ongewoon hoge weerstand moet worden voorkomen dat met toenemende kracht wordt doorgedraaid zonder de oorzaak te beoordelen.
Een ongeschikte halsconfiguratie kan irritatie, mucosale overgroei en reinigingsproblemen veroorzaken.
Een te grote insertiediepte kan bovendien leiden tot ongewenste penetratie van anatomische structuren, waaronder de neusbodem of sinusregio.
Bij aanhoudende pijn, toenemende zwelling, pusvorming, gevoelsstoornissen, aanhoudende bloeding of verdenking op anatomische beschadiging is tijdige diagnostische beoordeling noodzakelijk. Afhankelijk van de bevindingen kan verwijzing naar een kaakchirurg of andere betrokken specialist nodig zijn.
Een systematische keuze voorkomt dat uitsluitend op basis van een nominale diameter of lengte wordt besteld.
1. Bepaal het doel van de verankering.
Gaat het om directe krachttoepassing, indirecte verankering of ondersteuning van een orthodontisch apparaat?
2. Bepaal de plaatsingslocatie.
Maak onderscheid tussen interradiculaire, palatale en extra-alveolaire verankering. Deze locaties zijn niet uitwisselbaar.
3. Beoordeel de beschikbare anatomische ruimte.
Onderzoek wortelafstand, botdiepte, corticalis en relevante aangrenzende structuren. Gebruik bestaande klinische en radiologische informatie en verricht aanvullende beeldvorming alleen op indicatie.
4. Selecteer de diameter.
Kies een diameter die mechanisch geschikt is en binnen de beschikbare anatomische ruimte past.
5. Selecteer de effectieve verankeringslengte.
Stem de intraossale lengte af op de lokale botanatomie. Vermijd een grotere penetratiediepte dan anatomisch verantwoord is.
6. Controleer de weke-delenhoogte.
Kies een passende halsconfiguratie en zorg dat de schroefkop functioneel bereikbaar blijft.
7. Controleer het volledige schroefsysteem.
Vergelijk de definities van diameter en lengte, het schroefdraadontwerp, materiaal, kopvorm, compatibele drivers en productspecifieke gebruiksaanwijzingen.
8. Leg de keuze en controle vast.
Documenteer de plaatsingslocatie, geselecteerde afmetingen, reden voor de maatkeuze en relevante bevindingen tijdens en na plaatsing.
Voor voorraadbeheer is het verstandig om de gebruikte toepassingen te koppelen aan de daadwerkelijk benodigde combinaties van diameter, lengte, hals en kopvorm.
Een breed assortiment met veel bijna identieke varianten is niet automatisch klinisch nuttiger.
Belangrijker zijn consistente productspecificaties, compatibiliteit met het instrumentarium, traceerbaarheid en een duidelijk onderscheid tussen schroeven voor verschillende plaatsingslocaties.
De beschikbare literatuur ondersteunt dat afmetingen relevant zijn voor de klinische prestaties van miniscrews. De zekerheid waarmee één optimale diameter of lengte kan worden aangewezen, is echter beperkt.
Cunha en collega's onderzochten in een systematische review met meta-analyse de invloed van geometrische kenmerken op de klinische prestaties van miniscrews. Zij vonden aanwijzingen voor gunstige uitkomsten bij bepaalde combinaties van middelgrote diameters en relatief korte schroeflengtes. De resultaten waren echter afhankelijk van onder meer de plaatsingslocatie en de onderzochte schroefontwerpen. [1]
Mohammed en collega's vonden verschillen in overleving tussen anatomische plaatsingslocaties. De zekerheid van verschillende locatiegerelateerde schattingen was laag tot zeer laag, terwijl het verband tussen wortelcontact en falen van bepaalde interradiculaire miniscrews beter werd ondersteund. [2]
Een meta-analyse van Casaña-Ruiz en collega's uit 2020 vond een lagere faalkans in de bovenkaak dan in de onderkaak (oddsratio 0,56; 95%-betrouwbaarheidsinterval 0,39–0,80). Dit ondersteunt het belang van de plaatsingslocatie, maar bewijst niet dat een bepaalde diameter in elke kaak superieur is. [9]
De systematische review van Valeri en collega's uit 2024 bevestigt dat patiëntkenmerken, implantaatkenmerken, plaatsingslocatie en techniek gezamenlijk moeten worden beoordeeld. [10]
Een gerandomiseerde klinische studie van Sarul en collega's onderzocht verschillende miniscrewafmetingen in de mandibulaire buccal shelf. Grotere schroeven vertoonden in die specifieke toepassing gunstige overlevingsresultaten, maar gingen ook vaker gepaard met ontstekingsverschijnselen en langer aanhoudende pijn. [11]
Alsaeedi en collega's onderzochten in een gerandomiseerde studie twee schroeflengtes in de infrazygomatische crista en beoordeelden onder meer stabiliteit, pijn, sinuspenetratie en falen. [12]
Beide studies zijn relevant voor de afmetingskeuze, maar hun conclusies mogen niet zonder meer worden toegepast op interradiculaire of palatale plaatsing.
De studies kennen belangrijke beperkingen:
Conclusie over het bewijs: voor het belang van anatomische plaatsingslocatie en wortelcontact bestaat klinische ondersteuning, al varieert de bewijszekerheid. Voor de keuze van één universeel optimale combinatie van diameter en lengte is de bewijsbasis onvoldoende. De maatkeuze blijft daarom afhankelijk van anatomische beoordeling, het gebruikte systeem en de geplande biomechanica.
De keuze van miniscrewdiameter en -lengte is geen eenvoudige afweging tussen klein en groot of kort en lang. Beide afmetingen beïnvloeden de mechanische eigenschappen, maar hun klinische geschiktheid wordt begrensd door de beschikbare anatomie.
Voor orthodontisten betekent dit dat productselectie onderdeel moet zijn van de individuele verankeringsplanning. Voor praktijkinkopers ligt de nadruk op een logisch assortiment met eenduidige maatvoering, geschikte halsconfiguraties en compatibele instrumenten.
De beste keuze is niet de grootste of langste miniscrew, maar een anatomisch verantwoorde en biomechanisch passende uitvoering.
Nee. Een grotere diameter kan de mechanische weerstand tegen buiging en fractuur verhogen en onder bepaalde omstandigheden gunstig zijn voor de verankering. De klinische stabiliteit wordt echter ook beïnvloed door corticalisdikte, botkwaliteit, schroefontwerp, insertietechniek en belasting.
Vooral bij interradiculaire plaatsing kan een grotere diameter nadelig zijn doordat minder ruimte tussen de schroef en tandwortels overblijft. Een grotere diameter mag daarom niet worden beschouwd als een zelfstandige garantie voor succes. De maat moet worden afgestemd op de beschikbare anatomie en het beoogde krachtensysteem.
Dat kan, maar de nominale lengte alleen geeft onvoldoende informatie om de geschiktheid te bepalen.
De daadwerkelijke verankering hangt af van de effectieve intraossale lengte, de lokale botkwaliteit, de corticalis en het ontwerp van de miniscrew. Ook de manier waarop de fabrikant de nominale lengte definieert, speelt een rol.
Een schroef van 8 mm kan op de ene locatie voldoende mechanische verankering bieden en op een andere locatie ongeschikt zijn. Een langere uitvoering is evenmin automatisch veiliger of stabieler. De beschikbare anatomische ruimte en de noodzakelijke belasting moeten vooraf worden beoordeeld.
Dat is technisch mogelijk wanneer het betreffende schroefsysteem en de anatomie dit toelaten, maar beide plaatsingslocaties stellen verschillende eisen.
Bij interradiculaire plaatsing wordt de diameter vooral begrensd door de afstand tussen tandwortels en de beschikbare alveolaire botbreedte. Bij palatale plaatsing krijgen botdiepte, mucosadikte en de relatie tot anatomische structuren meer nadruk.
Ook de kopconfiguratie en halslengte kunnen verschillen, afhankelijk van de orthodontische constructie. Daarom moet een schroef die geschikt is voor een interradiculaire toepassing niet automatisch als passend voor palatale verankering worden beschouwd.
CBCT kan aanvullende informatie bieden wanneer de beschikbare botruimte of de relatie tot anatomische structuren met klinisch onderzoek en conventionele beeldvorming onvoldoende kan worden beoordeeld.
Dat kan bijvoorbeeld spelen bij complexe palatale plaatsing, onduidelijke wortelposities of geplande plaatsing nabij anatomisch risicovolle structuren.
CBCT is echter niet standaard noodzakelijk voor iedere miniscrew. De aanvullende diagnostische waarde moet opwegen tegen de stralingsbelasting. Het onderzoek moet worden uitgevoerd met een gerechtvaardigde indicatie en een zo laag mogelijke stralingsdosis die voldoende diagnostische beeldkwaliteit oplevert. Reeds beschikbare geschikte beelden verdienen daarbij eerst beoordeling.
De transmucosale hals bepaalt mede hoe de schroefkop zich verhoudt tot het omliggende slijmvlies.
Wanneer de hals te kort is voor de aanwezige mucosadikte, kan druk op de weke delen ontstaan en kan de schroefkop moeilijk toegankelijk worden. Een te lange hals kan het aangrijpingspunt van de kracht verder van het bot brengen en daarmee de mechanische belasting beïnvloeden.
Vooral palataal, waar de mucosadikte per regio verschilt, verdient deze eigenschap aandacht. Praktijkinkopers moeten daarom naast diameter en lengte ook de halsvarianten en hun maatdefinities vergelijken.
Onverwacht hoge insertieweerstand mag niet automatisch worden opgelost door meer kracht uit te oefenen. Dit kan het risico op microbeschadiging van het bot of schroeffractuur vergroten.
De behandelaar moet de mogelijke oorzaak beoordelen, waaronder botkwaliteit, schroefontwerp, insertierichting en eventueel contact met een anatomische structuur. Bij vermoeden van wortelcontact moet verdere plaatsing of belasting worden heroverwogen.
Afhankelijk van de klinische bevindingen kunnen aanvullende beeldvorming, herpositionering en specialistisch overleg nodig zijn. Aanhoudende pijn, mobiliteit of tekenen van beschadiging vereisen passende follow-up.
De onderstaande bronnen zijn geselecteerd op relevantie voor diameter, lengte, anatomische plaatsing, stabiliteit en complicaties. De bibliografische gegevens en DOI's zijn teruggevonden in wetenschappelijke literatuurdatabases en publicatievermeldingen.
Cunha, A. C., da Veiga, A. M. A., Masterson, D., et al. (2017). How do geometry-related parameters influence the clinical performance of orthodontic mini-implants? A systematic review and meta-analysis. International Journal of Oral and Maxillofacial Surgery, 46(12), 1539–1551.
https://doi.org/10.1016/j.ijom.2017.06.010
Mohammed, H., Wafaie, K., Rizk, M. Z., et al. (2018). Role of anatomical sites and correlated risk factors on the survival of orthodontic miniscrew implants: a systematic review and meta-analysis. Progress in Orthodontics, 19.
https://doi.org/10.1186/s40510-018-0225-1
Sousa-Santos, C., Sousa-Santos, S., Mendes, J. M., et al. (2024). The Influence of the Diameter of Orthodontic Mini-Implants on Primary Stability: Bending Tests—An In Vitro Study. Materials, 17(13), 3149.
https://doi.org/10.3390/ma17133149
Nucera, R., Costa, S., Bellocchio, A. M., et al. (2022). Evaluation of palatal bone depth, cortical bone, and mucosa thickness for optimal orthodontic miniscrew placement performed according to the third palatal ruga clinical reference. European Journal of Orthodontics, 44(5), 530–536.
https://doi.org/10.1093/ejo/cjac007
Nucera, R., Ciancio, E., Maino, G., et al. (2022). Evaluation of bone depth, cortical bone, and mucosa thickness of palatal posterior supra-alveolar insertion site for miniscrew placement. Progress in Orthodontics, 23, 18.
https://doi.org/10.1186/s40510-022-00412-9
Lo Giudice, A., Rustico, L., Longo, M., et al. (2021). Complications reported with the use of orthodontic miniscrews: A systematic review. Korean Journal of Orthodontics, 51(3), 199–216.
https://doi.org/10.4041/kjod.2021.51.3.199
Burak, K., & Hilmi, B. M. (2024). Evaluating palatal mucosal thickness in orthodontic miniscrew sites using cone-beam computed tomography. BMC Oral Health, 24, 1153.
https://doi.org/10.1186/s12903-024-04935-x
Reynders, R. A. M., Ronchi, L., Ladu, L., et al. (2012). Insertion torque and success of orthodontic mini-implants: a systematic review. American Journal of Orthodontics and Dentofacial Orthopedics, 142(5), 596–614.e5.
https://doi.org/10.1016/j.ajodo.2012.06.013
Casaña-Ruiz, M. D., Bellot-Arcís, C., Paredes-Gallardo, V., et al. (2020). Risk factors for orthodontic mini-implants in skeletal anchorage biological stability: a systematic literature review and meta-analysis. Scientific Reports, 10, 5848.
https://doi.org/10.1038/s41598-020-62838-7
Valeri, C., Aloisio, A., Marzo, G., et al. (2024). What is the impact of patient attributes, implant characteristics, surgical techniques, and placement location on the success of orthodontic mini-implants in young adults? A Systematic Review and Meta-Analysis. The Saudi Dental Journal, 36(9), 1149–1159.
https://doi.org/10.1016/j.sdentj.2024.07.013
Sarul, M., Lis, J., Park, H. S., & Rumin, K. (2022). Evidence-based selection of orthodontic miniscrews, increasing their success rate in the mandibular buccal shelf. A randomized, prospective clinical trial. BMC Oral Health, 22, 414.
https://doi.org/10.1186/s12903-022-02460-3
Alsaeedi, A. F., Alrubayee, M. A., et al. (2025). Evaluation of Two Mini-implant Lengths in the Infrazygomatic Crest Region: A Randomized Clinical Trial. European Journal of Dentistry, 19(2), 399–408.
https://doi.org/10.1055/s-0044-1789015
De volgende titels sluiten inhoudelijk aan op dit artikel en zijn geschikt voor interne verwijzingen binnen de OIT Kennisbank:
Productspecialist spreken?
Onze specialisten staan klaar om u een passend advies te geven. Bel of Whatsapp op 033-2043010 en kom direct in contact met ons.
Altijd uw favoriete producten binnen handbereik
Sneller bestellen: Altijd direct toegang tot uw meest gebruikte producten.
Minder zoeken: Bewaar uw favorieten overzichtelijk op één plek.
Eenvoudig herbestellen: Bestel met één klik uw terugkerende benodigdheden.