OIT Kennisbank | TADs en skeletale verankering
De primaire stabiliteit van een orthodontische miniscrew is de mechanische verankering direct na plaatsing, voordat biologische botremodellering optreedt. Deze stabiliteit wordt bepaald door de interactie tussen corticale botdikte, botkwaliteit, schroefgeometrie en plaatsingstechniek. Ook de anatomische locatie en het geplande krachtensysteem spelen een belangrijke rol.
Een miniscrew die bij insertie stevig aanvoelt, blijft niet automatisch stabiel gedurende de behandeling. Omgekeerd betekent een relatief lage insertietorque niet noodzakelijk dat de miniscrew zal falen. Een succesvolle plaatsing vereist daarom een evenwicht tussen voldoende mechanische verankering, anatomische veiligheid en een gecontroleerde orthodontische belasting.
Primaire stabiliteit beschrijft de onmiddellijke mechanische fixatie van een orthodontische miniscrew in het bot.
Bij insertie dringt het schroefdraad het corticale en, afhankelijk van de locatie en intraossale lengte, het trabeculaire bot binnen. Hierdoor ontstaat mechanisch contact dat weerstand biedt tegen rotatie, verplaatsing en kanteling van de miniscrew.
De mate van fixatie hangt onder andere af van de verhouding tussen de schroefgeometrie en de anatomische eigenschappen van het bot.
Primaire stabiliteit moet worden onderscheiden van de stabiliteit gedurende de daaropvolgende behandeling.
Primaire stabiliteit ontstaat tijdens plaatsing en wordt hoofdzakelijk bepaald door de mechanische interactie tussen implantaat en bot.
Secundaire stabiliteit verwijst naar stabiliteit die in de genezings- en remodelleringsfase mede wordt beïnvloed door biologische veranderingen in het omliggende bot.
Orthodontische miniscrews zijn tijdelijke verankeringsmiddelen, ook wel temporary anchorage devices (TADs) genoemd. Anders dan bij conventionele tandheelkundige implantaten is volledige osseointegratie doorgaans geen behandeldoel. De miniscrew moet voldoende stabiel blijven om orthodontische krachten over te dragen en na gebruik bij voorkeur zonder omvangrijke chirurgische ingreep verwijderd kunnen worden.
Een miniscrew kan bij plaatsing een hoge mechanische weerstand vertonen en in de weken daarna alsnog mobiel worden.
Mogelijke oorzaken zijn:
Daarom moeten de initiële stabiliteit en de stabiliteit tijdens de behandeling afzonderlijk worden beoordeeld.
Een hoge primaire stabiliteit is een gunstige uitgangspositie, maar geen garantie voor langdurig klinisch functioneren.
Het corticale bot vormt de relatief compacte buitenlaag van het kaakbot. Bij veel orthodontische miniscrews levert deze laag een belangrijke bijdrage aan de initiële mechanische verankering.
Het onderliggende trabeculaire bot bestaat uit een meer poreuze botstructuur. Dit bot draagt eveneens bij aan de interactie tussen schroef en bot, maar de mechanische eigenschappen verschillen aanzienlijk van die van corticaal bot.
Bij een dikkere cortex kan een groter gedeelte van het schroefdraad contact maken met compact bot. Daardoor kan de weerstand tegen rotatie en verplaatsing toenemen.
Dit betekent echter niet dat de dikst mogelijke cortex automatisch de beste plaatsingslocatie is.
De corticale botdikte verschilt tussen de boven- en onderkaak en tussen afzonderlijke anatomische regio's.
Bij interradiculaire plaatsing in de processus alveolaris van de bovenkaak kan de relatief beperkte botdikte de mechanische fixatie beïnvloeden. Tegelijkertijd beperken aangrenzende tandwortels de beschikbare ruimte.
In bepaalde mandibulaire regio's is de cortex compacter of dikker. Dat kan de mechanische verankering bevorderen, maar ook leiden tot hogere insertieweerstand en een groter risico op overmatige lokale belasting van het bot.
Extra-alveolaire locaties, zoals de mandibulaire buccal shelf, hebben een ander anatomisch profiel dan klassieke interradiculaire plaatsingslocaties.
Ook palatinale locaties moeten afzonderlijk worden beoordeeld, onder meer vanwege verschillen in botvolume, mucosadikte en de aanwezigheid van anatomische structuren.
De bevindingen uit onderzoek naar één plaatsingslocatie zijn daarom niet zonder meer toepasbaar op alle andere locaties.
Bij een zeer compacte cortex kan de insertietorque sterk oplopen. Wanneer de schroef zonder adequate technische aanpassing wordt ingebracht, kan overmatige compressie of microbeschadiging van het bot ontstaan.
De klinische beoordeling moet daarom verder gaan dan de vraag of er voldoende corticaal bot aanwezig is.
Relevante factoren zijn:
De keuze voor beeldvorming moet aansluiten bij de klinische vraag.
Een klinisch onderzoek, bestaande tweedimensionale röntgenopnamen en anatomische kennis kunnen in veel situaties voldoende informatie opleveren voor de behandelplanning.
Wanneer de driedimensionale anatomie onvoldoende duidelijk is en deze onzekerheid de plaatsingsveiligheid wezenlijk beïnvloedt, kan aanvullende CBCT-beeldvorming worden overwogen.
Een CBCT is echter geen standaardvereiste voor iedere miniscrewplaatsing. De indicatie moet worden afgewogen tegen de stralingsbelasting, met toepassing van de geldende principes van rechtvaardiging en dosisoptimalisatie.
Een afzonderlijk onderwerp binnen deze anatomische beoordeling is de relatie tussen wortelafstand en plaatsingsveiligheid. Een radiologisch geschikte positie biedt niet automatisch voldoende ruimte voor iedere combinatie van schroefdiameter en insertierichting.
De buitendiameter en kerndiameter van een miniscrew beïnvloeden de mechanische eigenschappen van het implantaat.
Een grotere diameter kan onder geschikte omstandigheden meer contact met het omliggende bot opleveren en de weerstand tegen buiging vergroten.
Daar staat tegenover dat een grotere schroef meer ruimte nodig heeft.
Vooral op interradiculaire locaties kan dit klinisch relevant zijn. Wanneer de beschikbare afstand tussen aangrenzende wortels beperkt is, kan een grotere diameter de veiligheidsmarge verkleinen.
Ook de vorm van het schroefdraad speelt een rol. Twee miniscrews met dezelfde buitendiameter hoeven niet dezelfde mechanische eigenschappen te hebben wanneer hun kerndiameter, draaddiepte, spoed of tapsheid verschilt.
Daarom is de nominale diameter op zichzelf onvoldoende om primaire stabiliteit of klinische overleving te voorspellen.
De lengte bepaalt mede hoeveel botcontact kan ontstaan.
Een langere miniscrew kan meer bot bereiken, maar dat levert niet onder alle omstandigheden een evenredige verbetering van de primaire stabiliteit op.
Bij plaatsing moet onderscheid worden gemaakt tussen de totale schroeflengte en de effectieve lengte die daadwerkelijk in bot ligt.
De dikte van het zachte weefsel en de plaatsingshoek beïnvloeden deze effectieve intraossale lengte.
Een onnodig lange schroef kan bovendien het risico vergroten op contact met tandwortels, de sinus maxillaris of andere anatomische structuren, afhankelijk van de plaatsingslocatie.
Het klinische uitgangspunt is niet om de grootste of langste beschikbare miniscrew te gebruiken, maar om voldoende mechanische verankering te verkrijgen binnen de anatomisch veilige grenzen.
Bij beperkte interradiculaire ruimte kan een kleinere diameter anatomisch wenselijk zijn, ook wanneer een grotere diameter mechanisch aantrekkelijk lijkt.
In bot met beperkte corticale ondersteuning kan een aanpassing van de plaatsingslocatie verstandiger zijn dan uitsluitend het vergroten van de schroeflengte.
De effectieve botverankering, wortelafstand en geplande krachtvector moeten gezamenlijk worden beoordeeld.
De exacte keuze van diameter en lengte vraagt daarnaast om kennis van het gebruikte miniscrewsysteem en de bijbehorende fabrikantinstructies.
De hoek waaronder een miniscrew wordt ingebracht, bepaalt hoe het schroefdraad de corticale botlaag doorkruist.
Bij een schuine insertie kan de afgelegde weg door de cortex groter zijn dan bij een meer loodrechte plaatsing.
Hierdoor kan de hoeveelheid corticaal contact veranderen.
Een grotere contactlengte betekent echter niet automatisch een hogere klinische stabiliteit. De plaatsingshoek beïnvloedt namelijk ook de richting van het schroeftraject, de nabijheid van tandwortels en de belasting van het implantaat.
Een schuine schroef kan aan de ingang voldoende ruimte hebben, terwijl het uiteinde op grotere diepte een wortel nadert.
Daarom kan geen universeel optimale insertiehoek worden vastgesteld die voor alle anatomische regio's en schroefsystemen geldt.
Bij interradiculaire plaatsing staat de beschikbare wortelruimte centraal.
De orthodontist moet rekening houden met de driedimensionale positie van aangrenzende wortels en de mogelijke veranderingen daarvan tijdens tandverplaatsing.
Bij extra-alveolaire plaatsing, bijvoorbeeld in de mandibulaire buccal shelf, zijn andere factoren bepalend. Daar spelen onder meer het beschikbare botvolume, de botdikte, de mucosapassage en de richting van het orthodontische krachtensysteem een rol.
Dezelfde plaatsingstechniek is daarom niet zonder meer geschikt voor beide locaties.
Orthodontische miniscrews kunnen verschillen in hun plaatsingsprincipe.
Bij een self-drilling miniscrew is het ontwerp bedoeld om rechtstreeks in geschikt bot te worden ingebracht.
Bij een self-tapping miniscrew wordt doorgaans eerst een pilotopening voorbereid, waarna het schroefdraad tijdens insertie verder wordt gevormd.
Of voorboren wenselijk of noodzakelijk is, hangt onder andere af van de botkwaliteit, het schroefontwerp en de instructies van de fabrikant.
Een pilotopening kan bij compacte botstructuren de insertieweerstand verminderen. Daartegenover staat dat onjuist voorboren de mechanische fixatie kan verminderen of anatomische schade kan veroorzaken.
Ook bij een self-drilling systeem kan een specifieke fabrikant onder bepaalde omstandigheden een voorbereidende boring voorschrijven.
Bij de insertie zijn een gecontroleerde voortgang, correcte uitlijning van het instrument en het vermijden van overmatige kracht belangrijk.
Een plotselinge verandering in weerstand, onverwachte pijn of het vermoeden van wortelcontact is aanleiding om de insertie te onderbreken en de situatie opnieuw te beoordelen.
Herhaald verwijderen en opnieuw indraaien op dezelfde locatie kan de oorspronkelijke schroef-botinteractie veranderen.
Wanneer de insertie niet volgens verwachting verloopt, moet daarom worden afgewogen of voortzetting veilig is of dat een andere locatie of techniek noodzakelijk is.
De insertietorque is het draaimoment dat nodig is om een miniscrew tijdens plaatsing in het bot te draaien. Het wordt doorgaans uitgedrukt in newtoncentimeter (Ncm).
De gemeten waarde wordt beïnvloed door meerdere factoren:
Een hogere insertietorque kan wijzen op een grotere mechanische weerstand tijdens plaatsing.
Deze weerstand is echter niet hetzelfde als de capaciteit van de miniscrew om een orthodontische belasting langdurig te weerstaan.
Een hoge insertietorque wordt soms geïnterpreteerd als een aanwijzing voor uitstekende primaire stabiliteit.
Die interpretatie is te eenvoudig.
Overmatige insertieweerstand kan gepaard gaan met sterke compressie van het omliggende bot. Bij ongunstige omstandigheden kunnen microfracturen, lokale weefselschade of beschadiging van de schroef ontstaan.
Daarom is een zo hoog mogelijke torque geen geschikt behandeldoel.
Andersom kan een lage insertietorque wijzen op beperkt schroef-botcontact, maar de klinische betekenis daarvan hangt af van onder meer het ontwerp, de locatie en de mechanische stabiliteit die daadwerkelijk wordt vastgesteld.
Er bestaat geen algemeen toepasbare insertietorquewaarde die voor alle orthodontische miniscrews een veilige of succesvolle behandeling voorspelt.
Onderzoeksbevindingen kunnen verschillen door variaties in schroefontwerp, botlocatie, meetmethoden en definitie van klinisch succes.
De door de fabrikant opgegeven grenzen en instrumentinstructies moeten worden gerespecteerd.
Wanneer torque wordt geregistreerd, is het belangrijk om eveneens het schroefsysteem, de afmetingen en de anatomische plaatsingslocatie vast te leggen.
De klinische interpretatie van torque krijgt pas betekenis in combinatie met deze gegevens.
Orthodontische miniscrews kunnen in geschikte omstandigheden direct na plaatsing worden gebruikt voor verankering.
Omdat volledige osseointegratie doorgaans geen behandeldoel is, hoeft niet standaard een langdurige periode van onbelaste botgenezing te worden afgewacht.
Directe belasting is echter alleen verantwoord wanneer de mechanische stabiliteit voldoende wordt geacht en er geen aanwijzingen zijn voor ongunstige plaatsing of weefselschade.
De beslissing is afhankelijk van de individuele anatomie, de eigenschappen van de miniscrew en het beoogde krachtensysteem.
Twee begrippen moeten worden onderscheiden.
Direct belasten betekent dat orthodontische kracht kort na plaatsing op de miniscrew wordt toegepast.
Directe skeletale verankering betekent dat de orthodontische kracht rechtstreeks van de miniscrew naar het te verplaatsen gebitselement of de betreffende gebitselementen wordt overgedragen.
Bij indirecte verankering stabiliseert de miniscrew eerst een ander element, bijvoorbeeld een molaar, dat vervolgens onderdeel wordt van het orthodontische verankeringssysteem.
Zowel directe als indirecte verankering kan technisch worden gecombineerd met vroege belasting.
Niet alleen de grootte van de orthodontische kracht is van belang.
Ook de richting van de kracht ten opzichte van de miniscrew bepaalt welke mechanische belasting ontstaat.
Een kracht die op enige afstand van het botniveau aangrijpt, kan een buigend moment veroorzaken. Dit is biomechanisch niet gelijk aan een zuiver axiale belasting.
Bij een miniscrew met beperkte primaire stabiliteit kunnen ongunstige momenten en herhaalde belastingswisselingen extra relevant zijn.
Het ontwerp van de verbinding tussen miniscrew en orthodontische apparatuur verdient daarom aandacht.
Een lange hefboom, ongewenste elastische vervorming of herhaald contact met functionele structuren kan leiden tot een ander belastingspatroon dan oorspronkelijk was gepland.
Uitstel of heroverweging van belasting is aangewezen wanneer bijvoorbeeld:
Het uitstellen van belasting maakt een mechanisch instabiele miniscrew niet automatisch weer geschikt.
Bij daadwerkelijke mobiliteit moet de oorzaak worden beoordeeld en kan vervanging of een alternatieve verankeringslocatie noodzakelijk zijn.
Er is geen enkele routinematig gebruikte meting die bij iedere orthodontische miniscrew betrouwbaar het volledige toekomstige succes voorspelt.
Insertietorque kan nuttige informatie geven over het plaatsingsproces, maar vormt slechts één onderdeel van de beoordeling.
Ook de klinische positie, de weefselconditie en de mechanische reactie van de miniscrew moeten worden meegenomen.
De orthodontist beoordeelt of de miniscrew op de geplande positie staat en of de insertie zonder onverwachte weerstand of complicaties is verlopen.
Daarnaast is van belang of de miniscrew klinisch vastzit.
Duidelijke rotatie of laterale mobiliteit bij geringe functionele belasting is verdacht voor onvoldoende mechanische fixatie.
Agressieve mobiliteitstests of herhaald heen-en-weer bewegen moeten worden vermeden. Deze handelingen kunnen het schroef-botcontact beschadigen en een aanvankelijk beperkte instabiliteit verergeren.
Indien nodig kan aanvullende beeldvorming worden gebruikt om een verdenking op anatomische schade of onjuiste positionering te onderzoeken.
De eerste fase na plaatsing is klinisch belangrijk omdat veranderingen in het bot en het peri-implantaire weefsel invloed kunnen hebben op de stabiliteit.
Bij controles verdienen de volgende signalen aandacht:
Niet elke lokale irritatie betekent dat de miniscrew mechanisch heeft gefaald. Omgekeerd kan mobiliteit aanwezig zijn zonder uitgesproken ontstekingsverschijnselen.
Daarom moeten mobiliteit en weefselgezondheid afzonderlijk worden beoordeeld.
Bij duidelijk vermoeden van miniscrewmobiliteit wordt de actieve orthodontische belasting onderbroken of weggenomen, voor zover klinisch passend.
Vervolgens moet worden vastgesteld of daadwerkelijk de miniscrew beweegt of dat een verbonden orthodontisch onderdeel is losgeraakt.
Bij bevestigde mobiliteit is verdere belasting meestal niet zinvol. Verwijdering en, indien nodig, herplanning van de skeletale verankering komen dan in aanmerking.
Bij persisterende pijn, neurologische symptomen, tekenen van infectie of verdenking op wortelbeschadiging is gerichte aanvullende diagnostiek nodig. Afhankelijk van de bevindingen kan overleg of verwijzing naar een passende specialist noodzakelijk zijn.
Preventie begint vóór de feitelijke plaatsing.
De kans op een stabiele miniscrew wordt niet uitsluitend bepaald door de schroef zelf, maar ook door de gekozen anatomische locatie, de behandelplanning, de insertietechniek en de beheersing van de orthodontische belasting.
Een geschikte plaatsingslocatie biedt voldoende botcontact zonder onaanvaardbare risico's voor aangrenzende structuren.
Daarbij moet rekening worden gehouden met de actuele wortelposities en de geplande tandverplaatsingen. Een miniscrew die bij plaatsing voldoende wortelafstand heeft, kan later alsnog in de nabijheid van een verplaatsende wortel komen.
Ook de benodigde krachtvector is relevant.
Wanneer de gewenste belasting op een interradiculaire miniscrew biomechanisch ongunstig is, kan een alternatieve locatie of een indirect verankeringssysteem geschikter zijn.
Een gecontroleerde insertietechniek beperkt onnodige beschadiging van bot en zacht weefsel.
Daarbij zijn passend instrumentarium, geschikte schroefgeometrie en het respecteren van systeemgebonden torquegrenzen van belang.
Bij dichte corticale botstructuren moet specifiek aandacht worden besteed aan het risico op overmatige weerstand en lokale botbelasting.
Een miniscrew kan mechanisch aanvankelijk stabiel zijn en later door lokale weefselproblemen in een ongunstige situatie terechtkomen.
Plaatsing in of nabij beweeglijke mucosa kan, afhankelijk van de locatie en het ontwerp, gepaard gaan met andere uitdagingen dan plaatsing in gekeratiniseerde, relatief onbeweeglijke mucosa.
Beweeglijk zacht weefsel, ongunstige positionering van de schroefkop en onvoldoende reinigbaarheid kunnen irritatie bevorderen.
De exacte keuze blijft afhankelijk van de anatomische locatie.
Goede mondhygiëne en toegankelijkheid voor reiniging zijn belangrijk voor het beperken van ontsteking van het omliggende zachte weefsel.
| Factor | Mogelijk gunstig effect | Klinische grens of risico |
|---|---|---|
| Dikkere corticale botlaag | Meer mechanisch contact en insertieweerstand | Overmatige compressie, hoge torque en bottrauma |
| Grotere schroefdiameter | Meer contactoppervlak en hogere buigweerstand | Minder ruimte tussen wortels en meer invasieve botpenetratie |
| Grotere schroeflengte | Mogelijk meer intraossaal contact | Extra lengte levert niet altijd meer relevante fixatie op; risico voor diepere structuren |
| Schuine plaatsingshoek | Kan de contactlengte door de cortex vergroten | Afwijkend traject, wortelnabijheid en veranderde krachtsituatie |
| Hogere insertietorque | Kan wijzen op sterke mechanische interactie | Niet gelijk aan betere klinische overleving; risico bij overmatige weerstand |
| Directe belasting | Snelle beschikbaarheid van skeletale verankering | Vereist voldoende initiële stabiliteit en een geschikt krachtensysteem |
| Gunstige zachte-weefselconditie | Minder irritatie en betere toegankelijkheid voor reiniging | Voorkomt niet zelfstandig mechanisch falen |
Veeg horizontaal om de tabel op een klein scherm volledig te bekijken.
De tabel beschrijft klinische afwegingen, geen bewezen rangorde van onafhankelijke voorspellers van miniscrewsucces.
De factoren die primaire stabiliteit beïnvloeden, kunnen op verschillende niveaus worden onderzocht.
Laboratoriumonderzoek kan inzicht bieden in insertietorque, verplaatsingsweerstand, uittrekkracht en de mechanische eigenschappen van schroef-botinteracties.
Deze uitkomsten zijn relevant voor het begrijpen van de biomechanica, maar vormen geen rechtstreeks bewijs voor langdurig klinisch succes bij orthodontische patiënten.
Een miniscrew die in een laboratoriumtest een hoge uittrekkracht vertoont, hoeft in de mond niet beter te functioneren. Daar spelen immers ook botremodellering, weefselgezondheid, orthodontische belasting en patiëntgebonden factoren een rol.
Er is een duidelijke mechanische grondslag voor de invloed van botcontact, schroefgeometrie en implantaatpositie op de initiële fixatie.
De richting van het krachtensysteem en de afstand tussen het aangrijpingspunt van de kracht en het botniveau beïnvloeden eveneens de mechanische belasting.
Daaruit volgt echter geen universeel optimale combinatie van botdikte, diameter, lengte, plaatsingshoek en insertietorque.
Vooral het afzonderlijke effect van één stabiliteitsfactor op langdurige miniscrew-overleving is moeilijk te isoleren.
Bij de interpretatie van klinische studies moeten onder andere de volgende verschillen worden meegewogen:
Vooral observationeel onderzoek kan gevoelig zijn voor vertekening door casusselectie. Een behandelaar kan bijvoorbeeld een grotere miniscrew kiezen in bot dat vooraf al als minder gunstig wordt beoordeeld.
Wanneer dergelijke keuzes onvoldoende worden meegenomen in de analyse, is het lastig om het effect van de schroefdiameter onafhankelijk vast te stellen.
Hetzelfde geldt voor insertietorque en corticale botdikte.
De klinische bruikbaarheid van primaire stabiliteit als beoordelingsprincipe is duidelijk. Voor specifieke numerieke drempels en universeel optimale plaatsingsparameters is een formele beoordeling van de beschikbare literatuur nodig.
Zonder een systematische literatuurbeoordeling kan geen formele GRADE-conclusie worden gegeven. Daarom vermeldt dit artikel geen specifieke succespercentages, torque-intervallen of effectgroottes.
De volgende conclusies moeten worden onderscheiden:
De implicatie is dat miniscrewselectie en belasting moeten berusten op een gecombineerde anatomische, mechanische en klinische beoordeling, niet op één geïsoleerde parameter.
Primaire stabiliteit vormt een belangrijke voorwaarde voor het voorspelbaar toepassen van orthodontische miniscrews als tijdelijke skeletale verankering.
De kern van de klinische besluitvorming ligt in het zorgvuldig combineren van plaatsingslocatie, corticale botkwaliteit, schroefgeometrie, insertietechniek en orthodontisch krachtensysteem.
Vooral het onderscheid tussen mechanische stabiliteit direct na insertie en het functioneren gedurende de behandeling verdient aandacht.
Een succesvolle behandeling vraagt niet om maximale insertieweerstand of een zo groot mogelijke miniscrew, maar om voldoende fixatie binnen veilige anatomische en biologische grenzen, gevolgd door passende belasting en gerichte klinische controle.
Een hogere insertietorque kan wijzen op een sterkere mechanische interactie tussen de miniscrew en het bot tijdens plaatsing. Dat betekent echter niet automatisch dat de schroef gedurende de volledige orthodontische behandeling stabiel blijft.
Torque wordt beïnvloed door de corticale botdikte, botkwaliteit, schroefgeometrie en plaatsingstechniek. Bij overmatig hoge weerstand kunnen botcompressie, microbeschadiging of mechanische problemen optreden.
Daarom moet insertietorque worden beschouwd als één van meerdere klinische beoordelingsfactoren. Een universele torquegrens die langdurig miniscrewsucces voorspelt, kan niet worden toegepast op alle systemen en anatomische locaties.
Er bestaat geen universele minimale corticale botdikte die voor iedere orthodontische miniscrew voldoende stabiliteit garandeert.
De benodigde mechanische ondersteuning is afhankelijk van de schroefdiameter, lengte, schroefdraadgeometrie, plaatsingshoek en anatomische locatie.
Een dikkere cortex kan meer mechanisch contact bieden, maar ook tot hogere insertieweerstand leiden. Daarom kan een zeer compacte cortex specifieke aandacht voor de insertietechniek vereisen.
Bij de planning is het belangrijk om corticale botdikte niet geïsoleerd te beoordelen. Ook het totale beschikbare botvolume, de afstand tot aangrenzende wortels en de geplande orthodontische belasting zijn bepalend.
Directe belasting kan klinisch verantwoord zijn wanneer de miniscrew voldoende primaire stabiliteit heeft en de plaatsing zonder relevante complicaties is verlopen.
Omdat orthodontische miniscrews tijdelijke verankeringsmiddelen zijn, hoeft niet standaard op volledige osseointegratie te worden gewacht.
Wel moet het krachtensysteem passen bij de stabiliteit en de anatomische locatie. De richting van de belasting, het aangrijpingspunt en eventuele buigende momenten verdienen daarbij aandacht.
Bij duidelijke mobiliteit, twijfel over wortelcontact of aanwijzingen voor beschadiging van het omliggende weefsel moet belasting worden uitgesteld of het verankeringsplan worden herzien. Uitstel alleen herstelt niet noodzakelijk een mechanisch instabiele miniscrew.
Bij vermoedelijke mobiliteit moet eerst worden vastgesteld of de miniscrew zelf beweegt of dat een verbonden orthodontisch onderdeel is losgeraakt.
Wanneer de miniscrew daadwerkelijk mobiel blijkt, moet ongecontroleerde verdere belasting worden voorkomen. Vervolgens worden de anatomische positie, zachte-weefselconditie, symptomen en mogelijke oorzaak van het falen beoordeeld.
Een duidelijk mobiele miniscrew is doorgaans geen betrouwbare verankering meer. Verwijdering en eventueel herplaatsing op een andere locatie kunnen noodzakelijk zijn.
Bij aanhoudende pijn, suppuratie, neurologische klachten of vermoeden van wortelbeschadiging is aanvullende diagnostiek nodig. De keuze voor beeldvorming of verwijzing moet worden afgestemd op de klinische bevindingen.
Een grotere diameter of langere schroef kan onder bepaalde omstandigheden de mechanische verankering verbeteren, maar dit effect is niet onbeperkt.
Een grotere diameter kan de weerstand tegen buiging vergroten, terwijl tegelijkertijd meer ruimte tussen aangrenzende tandwortels nodig is.
Een langere miniscrew kan meer intraossaal contact opleveren, maar extra lengte draagt niet altijd evenveel bij aan de fixatie. Bovendien kan een grotere lengte het risico op beschadiging van diepere anatomische structuren vergroten.
De geschikte afmetingen worden daarom gekozen op basis van de beschikbare botmorfologie, de plaatsingslocatie, het implantaatontwerp en de geplande orthodontische belasting.
Productspecialist spreken?
Onze specialisten staan klaar om u een passend advies te geven. Bel of Whatsapp op 033-2043010 en kom direct in contact met ons.
Altijd uw favoriete producten binnen handbereik
Sneller bestellen: Altijd direct toegang tot uw meest gebruikte producten.
Minder zoeken: Bewaar uw favorieten overzichtelijk op één plek.
Eenvoudig herbestellen: Bestel met één klik uw terugkerende benodigdheden.