OIT Kennisbank · Orthodontie
TADs (temporary anchorage devices) zijn tijdelijke verankeringselementen waarmee orthodontische krachten rechtstreeks of indirect aan het kaakbot kunnen worden gekoppeld. Meestal gaat het om kleine metalen schroeven, ook wel orthodontische miniscrews genoemd. Ze maken tandverplaatsingen mogelijk waarbij ongewenste beweging van andere gebitselementen zoveel mogelijk moet worden beperkt. TADs worden onder meer gebruikt voor molaardistalisatie, incisiefretractie, intrusie en asymmetrische correcties. Het klinische succes hangt echter niet alleen af van de schroef zelf, maar ook van de anatomische plaatsingslocatie, primaire stabiliteit, krachtvector, mondhygiëne en biomechanische planning.
Een TAD is een tijdelijk hulpmiddel waarmee orthodontische verankering wordt verkregen vanuit het skelet. In tegenstelling tot conventionele tandgedragen verankering wordt de reactiekracht daarbij niet uitsluitend door andere gebitselementen opgevangen.
In de dagelijkse praktijk betreft het meestal een orthodontische miniscrew: een kleine schroef die in het alveolaire bot of een andere geschikte botregio wordt geplaatst. Aan de schroefkop kunnen bijvoorbeeld een gesloten trekveer, elastische ketting of metalen verbindingsarm worden bevestigd.
De belangrijkste functie van een TAD is het creëren van een relatief stabiel verankeringspunt. Daardoor kunnen tandverplaatsingen worden uitgevoerd die met uitsluitend tandgedragen verankering moeilijker voorspelbaar of minder efficiënt zijn.
De initiële stabiliteit ontstaat voornamelijk door mechanische retentie in het omliggende bot. Dit wordt primaire stabiliteit genoemd.
Daarbij spelen verschillende factoren een rol:
Orthodontische miniscrews zijn doorgaans niet ontworpen om langdurige osseointegratie te bereiken, zoals conventionele implantaten voor gebitsvervanging. Hun verankering berust vooral op mechanische stabiliteit, hoewel de bot-schroefinterface tijdens het gebruik biologische veranderingen ondergaat.
Een belangrijk onderscheid is dat skeletale verankering niet hetzelfde is als absolute stabiliteit. Miniscrews kunnen losraken, migreren of hun functie verliezen.
Skeletale verankering wordt vooral relevant wanneer de gewenste orthodontische beweging een aanzienlijke reactiekracht veroorzaakt die niet via andere gebitselementen mag worden opgevangen.
Volgens de derde wet van Newton gaat iedere uitgeoefende kracht gepaard met een even grote, tegengesteld gerichte reactiekracht. Bij conventionele orthodontische verankering wordt die reactiekracht verdeeld over andere elementen of tandgroepen.
Dat kan leiden tot ongewenste tandverplaatsing, ook wel anchorage loss of verankeringsverlies genoemd.
Met TADs kan deze belasting geheel of gedeeltelijk naar het kaakbot worden verplaatst.
Wanneer premolaren worden geëxtraheerd om ruimte te creëren voor retractie van het front, kan mesiale verplaatsing van de molaren ongewenst zijn. TADs kunnen bijdragen aan het behoud van de beschikbare extractieruimte.
TADs kunnen verankering bieden voor distalisatie van één of meerdere molaren. Dit kan de noodzaak verminderen om reactiekrachten via het front of patiëntafhankelijke extraorale apparatuur op te vangen.
Bij een dentoalveolaire open beet, supra-eruptie van molaren of specifieke verticale asymmetrieën kunnen TADs een gecontroleerde intrusiekracht ondersteunen.
Wanneer slechts één kwadrant of één tandgroep moet worden verplaatst, kan skeletale verankering helpen ongewenste contralaterale bewegingen te beperken.
Bij het oprichten van gekipte molaren, het mesialiseren van posterieure elementen of het positioneren van een geïmpacteerd element kan een TAD dienen als aanvullend verankeringspunt.
Een TAD is niet automatisch de beste oplossing bij iedere hoge verankeringsbehoefte.
De meerwaarde kan beperkt zijn wanneer conventionele verankering voldoende is, de plaatsingsanatomie ongunstig is, een goed controleerbaar krachtensysteem ontbreekt of de patiënt onvoldoende mondhygiëne kan handhaven.
Actieve lokale infecties, onbehandelde parodontale problemen en bepaalde systemische aandoeningen of medicatie kunnen bovendien aanleiding geven om plaatsing uit te stellen of specialistisch overleg te organiseren.
Bij gebruik van bijvoorbeeld antiresorptieve medicatie moet het risico van een botingreep individueel worden beoordeeld. Het staken van medicatie is geen routinematige maatregel en vereist overleg met de behandelend arts.
Voor het opnemen van een TAD in het behandelplan zijn vijf vragen richtinggevend:
Deze afweging hoort plaats te vinden binnen het totale orthodontische behandelplan.
Niet alle tijdelijke skeletale verankeringssystemen hebben dezelfde vorm, plaatsingslocatie of chirurgische belasting.
| Type | Kenmerken en toepassingen | Belangrijkste aandachtspunten |
|---|---|---|
| Interradiculaire miniscrews | Kleine schroeven tussen tandwortels; vaak gebruikt voor retractie, segmentale bewegingen en verankering | Beperkte beschikbare ruimte en risico op wortelcontact |
| Palatale miniscrews | Geplaatst in geschikt palatinaal bot; inzetbaar voor distalisatie en verankering van palatinale apparatuur | Botvolume, palatinale anatomie en passing van de constructie |
| Extra-alveolaire miniscrews | Geplaatst buiten de gebruikelijke interradiculaire regio, bijvoorbeeld infrazygomatisch of in de mandibulaire buccal shelf | Complexere anatomie, weke delen en nabijheid van relevante structuren |
| Miniplates | Plaatvormige skeletale verankering die met meerdere schroeven wordt gefixeerd | Chirurgisch invasiever; plaatsing en verwijdering vereisen doorgaans chirurgische expertise |
Miniscrews kunnen meestal met een relatief beperkte ingreep worden geplaatst en verwijderd. Ze zijn daardoor aantrekkelijk voor veel orthodontische toepassingen.
Miniplates hebben doorgaans een grotere en meervoudige botfixatie. Ze kunnen zinvol zijn wanneer een andere krachttoepassing gewenst is of conventionele miniscrewlocaties onvoldoende mogelijkheden bieden.
Daar staat een hogere chirurgische belasting tegenover, waaronder uitgebreidere weke-delenmanipulatie en doorgaans een aanvullende ingreep voor verwijdering.
De keuze tussen beide systemen wordt daarom niet uitsluitend bepaald door de gewenste kracht, maar ook door anatomie, behandelduur, invasiviteit en risico.
De anatomische locatie is een van de belangrijkste bepalende factoren voor de veiligheid en bruikbaarheid van een TAD.
Een geschikte plaatsingslocatie moet voldoende botretentie mogelijk maken, kwetsbare anatomische structuren ontzien en biomechanisch aansluiten bij de gewenste tandverplaatsing.
Interradiculaire miniscrews worden tussen aangrenzende tandwortels geplaatst, meestal vanaf de vestibulaire zijde.
Deze locatie biedt relatief directe toegang tot de dentitie, maar kent een belangrijke beperking: de beschikbare botruimte tussen de wortels kan klein zijn.
Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met:
Een miniscrew die bij plaatsing voldoende afstand tot de wortels heeft, kan later problematisch worden wanneer gebitselementen richting het verankeringspunt bewegen.
Wortelcontact moet actief worden voorkomen. Het kan leiden tot beschadiging van het parodontale ligament, cementum of dentine en kan de stabiliteit van de schroef beïnvloeden.
Het palatum biedt mogelijkheden voor verankering buiten de direct interradiculaire ruimte.
Vooral de anterieure en paramediane palatale regio's worden gebruikt voor systemen die molaren distaliseren of een tandgroep indirect stabiliseren.
De individuele beoordeling omvat onder meer botdikte, mucosadikte, de mediane palatinale sutuur, het canalis incisivus en het verloop van palatinale vaat-zenuwstructuren.
Bij groeiende patiënten moet bovendien rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de palatinale sutuur en de gekozen techniek.
Een palatale TAD kan onderdeel zijn van een complexere constructie met meerdere verankeringspunten en een tand- of apparaatspecifieke verbinding.
De infrazygomatic crest is een extra-alveolaire plaatsingsregio ter hoogte van de posterieure maxilla en de processus zygomaticus.
Het belangrijkste biomechanische voordeel is dat het verankeringspunt buiten de gebruikelijke interradiculaire ruimte kan liggen.
Daarmee kan de beperking door de beschikbare wortelafstand gedeeltelijk worden verminderd.
Tegelijkertijd vergt deze regio zorgvuldige anatomische beoordeling vanwege de nabijheid van molaarwortels, de sinus maxillaris en de weke delen.
Een extra-alveolaire positie betekent dus niet dat plaatsing automatisch veilig is.
De mandibulaire buccal shelf betreft een lateraal gelegen botregio in het posterieure deel van de onderkaak.
Deze locatie kan worden benut voor bepaalde distalisatie- en segmentale verankeringssystemen.
De beschikbare corticale botstructuur, het verloop van de molaarwortels, de ligging van het mandibulaire kanaal en de eigenschappen van het overliggende slijmvlies moeten individueel worden beoordeeld.
Ook de toegankelijkheid voor reiniging en de kans op irritatie door de schroefkop zijn relevant.
De voorbereiding bestaat uit klinisch onderzoek en passende radiologische beoordeling.
Afhankelijk van de geplande locatie kunnen beschikbare tweedimensionale opnamen voldoende informatie bieden.
Een CBCT kan aanvullende waarde hebben wanneer driedimensionale beoordeling noodzakelijk is, bijvoorbeeld bij complexe anatomie of onduidelijke relaties tot wortels, zenuwen of sinusstructuren.
CBCT is echter geen standaardvereiste voor iedere TAD-plaatsing. De indicatie moet worden gerechtvaardigd op basis van de verwachte diagnostische meerwaarde, met aandacht voor stralingsbelasting en de geldende richtlijnen.
Exacte plaatsingshoeken, lengtes en diameters mogen niet zonder individuele anatomische beoordeling als universeel protocol worden toegepast.
Bij skeletale verankering wordt onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte krachtsoverdracht.
Dit verschil bepaalt welke onderdelen van het orthodontische systeem de reactiekracht opnemen.
Bij directe verankering wordt de orthodontische kracht rechtstreeks vanuit de TAD op het te verplaatsen gebitselement of tandsegment uitgeoefend.
Een voorbeeld is een gesloten trekveer tussen een miniscrew en een retractiehaak aan de orthodontische boog.
De reactiekracht wordt daarbij via de miniscrew naar het bot overgedragen.
De locatie van het verankeringspunt en het aangrijpingspunt op de dentitie bepalen gezamenlijk de richting van de krachtvector.
Daardoor kunnen naast de bedoelde beweging ook ongewenste rotaties, kantelingen of verticale componenten ontstaan.
Bij indirecte verankering wordt de TAD eerst verbonden met een tand of tandgroep die vervolgens als verankeringseenheid fungeert.
Een voorbeeld is een palatale miniscrew die via een stijve verbinding aan een molaarverankeringsconstructie wordt gekoppeld.
De actieve orthodontische kracht wordt vervolgens via de dentitie uitgeoefend.
Indirecte verankering kan gunstig zijn wanneer een bestaand tandgedragen krachtensysteem behouden moet blijven.
De effectiviteit hangt echter af van de stijfheid, geometrie en bevestiging van de verbinding. Vervorming of speling kan alsnog leiden tot ongewenste tandbeweging.
TADs vergroten de mogelijkheden om orthodontische krachten onafhankelijker van andere gebitselementen toe te passen.
Dat betekent niet dat de tandbeweging automatisch voorspelbaar wordt.
Voor een goed resultaat moeten krachtlijn, aangrijpingspunt, centrum van weerstand en moment-krachtverhouding gezamenlijk worden beoordeeld.
Bij retractie van het bovenfront na premolaarextracties kunnen TADs de noodzaak verminderen om posterieure elementen als primaire verankering te gebruiken.
De positie van de schroef en de hoogte van de retractiehaak beïnvloeden het moment-krachtsysteem op het frontsegment.
Wanneer de krachtlijn niet passend is ten opzichte van het centrum van weerstand, kan ongewenste tipping of verandering van de incisiefinclinatie optreden.
Voor gecontroleerde retractie blijven daarom onder andere boogstijfheid, torquecontrole en de mechanische eigenschappen van het systeem relevant.
Een TAD voorkomt niet vanzelf verlies van incisief-torque.
Bij molaardistalisatie kan skeletale verankering de ongewenste belasting op anterieure gebitselementen beperken.
De distalisatie kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd vanuit palatale of buccale verankering.
De gekozen krachtvector bepaalt mede of translatie, kanteling of rotatie optreedt.
Ook de beschikbare posterieure ruimte, stand van tweede en eventuele derde molaren en parodontale omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid.
Intrusie is een klinisch belangrijke toepassing van TADs, vooral wanneer tandgedragen systemen ongunstige extrusieve reactiekrachten zouden veroorzaken.
Bij posterieure intrusie kan vermindering van de dentoalveolaire hoogte bijdragen aan een verandering van de mandibulaire rotatie en de verticale occlusale relatie.
Bij een open beet moet echter onderscheid worden gemaakt tussen een overwegend dentoalveolair probleem en een complexe skeletale afwijking.
Eenzijdige of onjuist gepositioneerde krachten kunnen molaren doen kantelen. Daarom kan controle vanuit zowel de buccale als palatinale zijde nodig zijn.
Daarnaast moeten parodontale grenzen, mogelijke wortelresorptie en de stabiliteit van het bereikte resultaat worden meegenomen.
Bij ontbrekende elementen of gekipte molaren kan een TAD worden gebruikt om de gewenste mesiale beweging of oprichting te ondersteunen.
De verankeringslocatie en de positie van de krachtlijn bepalen of vooral kroonverplaatsing, wortelbeweging of een combinatie ontstaat.
Bij aanzienlijke uprighting is vaak aanvullende momentcontrole noodzakelijk.
Een TAD kan worden ingezet wanneer een tandgroep in één kwadrant onafhankelijker van de contralaterale zijde moet bewegen.
Denk aan unilaterale distalisatie of lokale verticale correcties.
Hierbij moet specifiek worden gecontroleerd op ongewenste veranderingen van het occlusale vlak, midlineverschuivingen en rotatie van grotere tandsegmenten.
Skeletale verankering vergroot het aantal biomechanische opties, maar maakt asymmetrische behandelingen niet automatisch eenvoudiger.
TADs zijn tijdelijk en doorgaans relatief beperkt invasief, maar niet zonder risico.
Complicaties kunnen ontstaan bij plaatsing, tijdens orthodontische belasting of bij verwijdering.
Voortijdige mobiliteit of verlies van een miniscrew is een belangrijke oorzaak van klinisch falen.
De kans hierop wordt beïnvloed door een combinatie van patiënt-, locatie-, materiaal- en techniekafhankelijke factoren.
Een aanvankelijk stabiele schroef kan later alsnog losraken, bijvoorbeeld door veranderingen aan de bot-schroefinterface, weefselontsteking of mechanische overbelasting.
Een stabiele schroef is bovendien niet automatisch goed gepositioneerd voor de geplande biomechanica.
Bij interradiculaire plaatsing bestaat risico op contact met het parodontale ligament of de tandwortel.
De ernst hangt af van de locatie en omvang van het contact.
Kleine oppervlakkige beschadigingen kunnen herstellen nadat de oorzaak is weggenomen, maar ernstiger schade is mogelijk.
Bij verdenking op wortelcontact moet de belasting worden gestopt en moet klinisch en, indien geïndiceerd, radiologisch worden beoordeeld of verwijdering of herpositionering noodzakelijk is.
Plaqueaccumulatie, irritatie door een schroefkop of contact met beweeglijke mucosa kunnen lokale ontsteking veroorzaken.
Mogelijke verschijnselen zijn roodheid, zwelling, bloeding, gevoeligheid en weefselovergroei.
Een goede bereikbaarheid voor reiniging en een gunstige positie van de schroefkop zijn daarom belangrijke praktische voorwaarden.
Afhankelijk van de plaatsingslocatie kunnen bloedvaten, zenuwen, de sinus maxillaris of andere structuren worden geraakt.
De klinische betekenis loopt uiteen van beperkte lokale irritatie tot complicaties die specialistische behandeling vereisen.
Ook schroefbreuk tijdens plaatsing of verwijdering is mogelijk.
Niet iedere complicatie betreft het verankeringspunt zelf.
Een onjuist krachtensysteem kan leiden tot ongewenste tipping, wortelverplaatsing, verandering van de occlusale relatie of overbelasting van gebitselementen.
Daarom moet bij iedere controle zowel de stabiliteit van de TAD als de daadwerkelijke tandrespons worden beoordeeld.
Bij toenemende pijn, progressieve zwelling, pusvorming, aanhoudende bloeding, koorts, gevoelsverlies of een vermoeden van beschadiging van een anatomische structuur is tijdige klinische beoordeling noodzakelijk.
Bij ernstige of snel progressieve symptomen, zoals forse zwelling met slik- of ademhalingsproblemen, is spoedbeoordeling aangewezen.
Een antibioticum is niet standaard geïndiceerd bij iedere plaatsing of lokale irritatie. De noodzaak hangt af van de klinische bevindingen en eventuele systemische risicofactoren.
Na plaatsing begint de fase waarin de TAD zijn functie als verankeringspunt moet behouden.
De controle richt zich op zowel het implantaat als de orthodontische behandeling.
Belangrijke aandachtspunten zijn de stabiliteit van de schroef, lokale weefselconditie, aanwezigheid van plaque of mucosale irritatie, integriteit van de verbinding en de feitelijke tandverplaatsing.
Daarnaast moet worden beoordeeld of de TAD nog voldoende afstand behoudt tot verplaatsende gebitselementen.
Herhaald krachtig manipuleren van de schroef om de stabiliteit te testen is niet wenselijk.
Een mobiele miniscrew mag niet zonder herbeoordeling verder worden belast.
Eerst moet worden vastgesteld of het probleem betrekking heeft op de schroef, het omliggende weefsel of een losgeraakte orthodontische verbinding.
Bij daadwerkelijk verlies van botretentie kan verwijdering nodig zijn.
Eventuele vervangende plaatsing vraagt om een nieuwe beoordeling van de anatomie, de oorzaak van het falen en de beschikbare alternatieven.
Een miniscrew wordt doorgaans verwijderd wanneer de verankeringsfunctie niet langer noodzakelijk is.
Bij ongecompliceerde verwijdering kan de schroef meestal met passend instrumentarium worden teruggedraaid. De benodigde verdoving en nazorg hangen af van de plaatsingslocatie en de individuele situatie.
Miniplates vereisen doorgaans een uitgebreidere chirurgische verwijdering.
Bij schroefbreuk of een achtergebleven fragment moet de noodzaak van verwijdering individueel worden afgewogen. Blind zoeken naar een fragment kan meer schade veroorzaken dan het fragment zelf.
Een controleplan en duidelijke instructies over mondhygiëne, klachten en contactmomenten horen bij de behandeling.
Conventionele orthodontische verankering berust op het benutten van gebitselementen of tandgroepen om ongewenste beweging te beperken.
Bekende voorbeelden zijn transpalatinale bogen, Nance-apparatuur, linguale bogen en het verbinden van meerdere elementen tot een verankeringseenheid.
Extraorale verankering, zoals headgear, vormt daarnaast een afzonderlijke optie, waarbij de effectiviteit mede afhankelijk kan zijn van medewerking van de patiënt.
TADs introduceren een extra verankeringsmogelijkheid, maar vervangen deze technieken niet in iedere situatie.
| Beslisfactor | TADs | Tandgedragen verankering |
|---|---|---|
| Reactiekracht | Wordt geheel of gedeeltelijk via het skelet opgevangen | Wordt via andere gebitselementen verdeeld |
| Ongewenste tandbeweging | Kan sterk worden beperkt, afhankelijk van de mechanica | Blijft een relevant aandachtspunt |
| Patiëntafhankelijkheid | Stabiliteit vereist geen actief dragen; hygiëne blijft belangrijk | Afhankelijk van het systeem soms weinig, soms meer medewerking nodig |
| Invasiviteit | Plaatsing en verwijdering van botverankering noodzakelijk | Vaak zonder aanvullende botingreep |
| Specifieke risico's | Mobiliteit, lokale ontsteking, wortelcontact en chirurgische complicaties | Verankeringsverlies, ongewenste tandbeweging en apparaatspecifieke irritatie |
| Klinische meerwaarde | Vooral bij hoge verankeringsbehoefte en complexe krachtensystemen | Vaak toereikend bij beperkte of goed verdeelbare verankeringsbehoefte |
De behandelkeuze moet worden gebaseerd op de gewenste uitkomst, niet op de beschikbaarheid van een bepaalde techniek.
Wanneer een conventioneel verankeringssysteem voldoende controle biedt, hoeft een aanvullende botingreep geen voordeel op te leveren.
Andersom kan bij complexe retractie, intrusie of asymmetrische bewegingen juist een duidelijk biomechanisch argument bestaan voor skeletale verankering.
De klinische toepassing van orthodontische miniscrews is onderzocht in gerandomiseerde onderzoeken, vergelijkende klinische studies en systematische reviews.
De onderbouwing is echter niet voor alle indicaties en uitkomstmaten even sterk.
Bij extractiebehandelingen waarbij maximale anterieure retractie gewenst is, wijzen eerdere vergelijkende onderzoeken en onderzoeksyntheses erop dat miniscrews het mesiale verankeringsverlies van molaren beter kunnen beperken dan conventionele tandgedragen methoden.
Dit is een belangrijke klinische rechtvaardiging voor het gebruik van TADs.
Het betekent echter niet dat iedere behandeling met miniscrews een beter totaalresultaat oplevert. Het behoud van verankering is een specifieke uitkomstmaat en moet worden onderscheiden van behandelingsduur, behandelkwaliteit, patiënttevredenheid en langetermijnstabiliteit.
Onderzoeken naar het behoud van miniscrewstabiliteit laten zien dat meerdere factoren de uitkomst kunnen beïnvloeden.
Daarbij gaat het onder meer om plaatsingslocatie, botkwaliteit, schroefontwerp, weke-delenconditie, belasting en patiëntgerelateerde factoren.
De interpretatie is lastig doordat onderzoekspopulaties, definities van falen, follow-upduur en gebruikte systemen verschillen.
Een gemiddeld overlevingspercentage uit één onderzoek is daarom niet zonder meer toepasbaar op een andere locatie of patiëntengroep.
Voor toepassingen zoals posterieure intrusie, complexe molaarverplaatsing en bepaalde extra-alveolaire systemen bestaan klinische aanwijzingen voor haalbaarheid en effectiviteit.
Voor de exacte meerwaarde ten opzichte van alternatieve methoden, de optimale biomechanische configuratie en de stabiliteit op langere termijn blijft de zekerheid beperkter.
Vooral bij openbeetcorrecties moeten de initiële orthodontische veranderingen worden onderscheiden van de stabiliteit na beëindiging van de actieve behandeling.
Het relatief best onderzochte voordeel betreft het beperken van verankeringsverlies in specifieke orthodontische situaties.
Voor andere vragen — bijvoorbeeld welke schroef, plaatsingslocatie of belastingsstrategie consequent de beste resultaten oplevert — is meer onzekerheid aanwezig.
Omdat voor dit artikel geen actuele systematische literatuurcontrole kon worden uitgevoerd, is het niet verantwoord om aan de verschillende uitkomsten formele GRADE-certainty-niveaus of exacte effectgroottes toe te kennen.
Ook mag een systematische review niet automatisch als hoogwaardig bewijs worden beschouwd. De zekerheid hangt af van onderliggende studieopzet, risico op bias, heterogeniteit, precisie, directheid van de resultaten en mogelijke publicatiebias.
Praktische interpretatie: TADs zijn een onderbouwde behandeloptie voor geselecteerde verankeringsproblemen. De keuze voor een specifieke locatie, schroefconfiguratie of biomechanische toepassing vereist daarnaast individuele klinische beoordeling.
TADs hebben het biomechanische mogelijkhedenveld van de orthodontie aanzienlijk uitgebreid. Ze maken het mogelijk om tandverplaatsingen uit te voeren met minder afhankelijkheid van tandgedragen verankering en bieden aanvullende opties bij complexe sagittale, verticale en asymmetrische correcties.
De klinische meerwaarde ontstaat echter pas wanneer het verankeringspunt integraal wordt ontworpen binnen het totale krachtensysteem.
Een succesvolle TAD-behandeling begint daarom niet bij de keuze van een schroef, maar bij een duidelijke diagnose, een realistisch bewegingsdoel en een zorgvuldig beoordeelde anatomische plaatsingslocatie.
De termen worden in de orthodontische literatuur gedeeltelijk door elkaar gebruikt. Met een TAD wordt de functie bedoeld: tijdelijke skeletale verankering voor orthodontische krachten. Een orthodontische miniscrew is een veelvoorkomende uitvoering van een TAD. Ook andere systemen, zoals miniplates, kunnen tijdelijke skeletale verankering bieden.
Het onderscheid met conventionele dentale implantaten is belangrijk. Implantaten voor gebitsvervanging zijn doorgaans bedoeld voor langdurige osseointegratie en prothetische belasting. Orthodontische miniscrews zijn primair bedoeld voor tijdelijke mechanische verankering en worden na gebruik meestal verwijderd.
Nee. Een CBCT is niet standaard noodzakelijk voor iedere orthodontische miniscrew. De indicatie hangt af van de anatomische complexiteit en de vraag of driedimensionale informatie de veiligheid of uitvoering van de behandeling daadwerkelijk verbetert.
Bij relatief overzichtelijke plaatsingslocaties kan klinisch onderzoek in combinatie met geschikte tweedimensionale radiologische informatie voldoende zijn. Wanneer wortelposities, botvolume of nabijgelegen anatomische structuren onvoldoende beoordeeld kunnen worden, kan een CBCT aanvullende waarde hebben. De mogelijke diagnostische winst moet steeds worden afgewogen tegen de stralingsbelasting.
In bepaalde klinische situaties is vroege of directe belasting mogelijk. Orthodontische miniscrews zijn doorgaans niet afhankelijk van een langdurige osseointegratiefase voordat ze functioneel kunnen worden gebruikt.
Dat betekent niet dat directe belasting altijd verantwoord is. De primaire stabiliteit, botkwaliteit, plaatsingslocatie, mechanische eigenschappen van de schroef en richting van de belasting moeten voldoende gunstig zijn.
Er bestaat geen universele belastingsstrategie die voor alle miniscrews en alle patiënten geschikt is. Het gebruikte systeem, de klinische stabiliteit en het geplande krachtensysteem bepalen of directe belasting passend is.
Een losse of toenemend pijnlijke TAD moet klinisch worden beoordeeld. Bij duidelijke mobiliteit behoort de actieve orthodontische belasting te worden onderbroken totdat de oorzaak is vastgesteld.
Niet iedere pijnklacht betekent dat de schroef is losgeraakt. Lokale mucosale irritatie, ontsteking, druk van een verbinding of contact met omliggende structuren kunnen eveneens klachten veroorzaken.
Bij blijvend verlies van stabiliteit kan verwijdering en eventueel herplaatsing nodig zijn. Ernstige pijn, toenemende zwelling, pusvorming, koorts, gevoelsverlies of aanhoudende bloeding vereisen snelle beoordeling. De patiënt mag een losse schroef niet zelfstandig proberen vast te draaien.
Ja. TADs kunnen als aanvullende verankering worden gebruikt bij een orthodontische behandeling met clear aligners.
Dit kan relevant zijn wanneer het alignersysteem alleen onvoldoende controle biedt over een bepaalde tandverplaatsing, bijvoorbeeld bij complexe distalisatie, intrusie of asymmetrische bewegingen.
De combinatie vereist wel een zorgvuldig ontworpen krachtensysteem. De interactie tussen aligner, attachment, dentitie en skeletaal verankeringspunt kan ongewenste momenten of verplaatsingen veroorzaken. Een TAD compenseert niet automatisch voor onvoldoende alignerretentie of onnauwkeurige digitale bewegingsplanning.
Nee. TADs kunnen voordelen bieden wanneer maximale verankering belangrijk is of conventionele apparatuur naar verwachting onvoldoende controle oplevert. Dat maakt ze niet voor iedere patiënt of behandelopgave superieur.
Een Nance-apparaat of transpalatinale boog kan bij bepaalde indicaties voldoende ondersteuning bieden zonder aanvullende botingreep.
Bij de vergelijking moeten het benodigde verankeringsniveau, de gewenste tandbeweging, de risico's, het comfort, de kosten en de behandelcomplexiteit worden meegenomen.
Een TAD is vooral zinvol wanneer de verwachte biomechanische meerwaarde opweegt tegen de plaatsingsbelasting en mogelijke complicaties.
Productspecialist spreken?
Onze specialisten staan klaar om u een passend advies te geven. Bel of Whatsapp op 033-2043010 en kom direct in contact met ons.
Altijd uw favoriete producten binnen handbereik
Sneller bestellen: Altijd direct toegang tot uw meest gebruikte producten.
Minder zoeken: Bewaar uw favorieten overzichtelijk op één plek.
Eenvoudig herbestellen: Bestel met één klik uw terugkerende benodigdheden.